U bent hier

De bestuurder over het inspectieonderzoek: ‘Als het op papier staat, dán is het er niet’

“Ik heb ze een uur lang vermoeid met een presentatie over hun eigen visie op kwaliteit van mijn onderwijs.” En daarna zei bestuurder Dick Bruinzeel tegen de inspecteurs: “Zo kijk ik niet. Dus zet nu even mijn bril op.” Verus sprak Bruinzeel en inspecteur Anne Bergsma over hoe zij het inspectieonderzoek bij Scholengemeenschap Jan Arentsz ervoeren. Dit is deel 2: Over plannen van aanpak, oprechte nieuwsgierigheid en de angst ontmaskerd te worden.

Sinds 2017 werkt de onderwijsinspectie niet langer met een risicogericht toezicht, maar staat het bestuur meer centraal. Bruinzeel kreeg vorig jaar de inspectie op bezoek. Een kans, vindt hij, om binnen zijn Scholengemeenschap met vestigingen in Alkmaar en Langedijk “het verhaal opnieuw te doorleven”. Bruinzeel: “Je moet allemaal nadenken over wat je vanuit jouw rol, vanuit jouw positie aan de inspectie wilt laten zien.” In zijn geval: dat kwaliteit geen apart beleidsdomein is, professionalisering meer is dan naar externe scholing gaan, dat fouten maken en ervan leren ook professionalisering is.

Op papier

Maar de inspectie kijkt natuurlijk ook gewoon door een kwaliteitskader. Daarmee had Bruinzeel in het verleden al eens slechte ervaringen opgedaan. Neem de inspecteur aan wie hij en zijn team vertelden hoe docenten met leerlingen in gesprek gingen om te horen wat er beter kon. Van die gesprekken lagen er verslagen. En er werd echt in de spiegel gekeken. Maar daar namen de inspecteurs geen genoegen mee, die wilden een plan van aanpak. Bruinzeel: “Ik pakte een blanco blaadje uit mijn printer, schreef erop: Plan van Aanpak, niette het vast aan de gespreksverslagen en zei: ‘Alsjeblieft: Plan van aanpak’. Ik was boos.” In de jaren ’90 zei een andere inspecteur tegen Bruinzeel dat als het niet op papier staat, het er niet is. “Ik zeg: Als het op papier staat, dán is het er niet.”

Kleren van de Keizer

Deze bestuurder wil ruimte geven om keuzes te maken in de uitvoering van het onderwijs. Bruinzeel: “Zolang deze keuzes maar passen bij onze visie en ambitie. Dat is onze definitie van kwaliteit.”

Meet dat maar eens. En bovendien, al geloof je nog zo in jouw visie, met de inspectie voor de deur breekt zelfs de meest zelfverzekerde bestuurder zo af en toe het angstzweet uit. “Mijn verstand zei: Dit is goed. Maar mijn emotie zei: Stel dat het toch de Kleren van de Keizer blijken. Dat ze zeggen: U wilt ruimte geven, verantwoording vragen en toerusten, maar dat is helemaal niet geland in de organisatie. Er zit rond zo’n inspectiebezoek toch een basale angst, dat je ontmaskerd wordt.”

Dat gebeurde zeker niet. Bruinzeel nodigde de inspecteurs uit zijn bril op te zetten en te zien hoe hij door ruimte en samen optrekken op zijn scholen werkt aan brede vorming, eigentijds onderwijs en een goede relatie tussen ouders, leerling en school. “De inspecteurs waren zo belangstellend. Oprecht nieuwsgierig. Het was heel mooi om te merken.”

De persoon van de inspecteur

Hangt dat van de persoon van de inspecteur af? Ja, vreest Bruinzeel. Hij ziet dat de inspectie stappen zet om de bezoeken minder persoonsafhankelijk te maken. “Tegelijkertijd: Toen ik begon als schoolleider kwam een inspecteur langs om de afstand tussen de tafeltjes in de examenzaal te meten. En bij wijze van spreken diezelfde man kijkt nu mee of ik goed bestuur. Hoe krijg je inspecteurs die over die lat heen kunnen kijken?”. Een antwoord heeft Bruinzeel niet. “Maar de inspecteurs die ik nu langs had, konden dat zeker.”

Natuurlijk meet het Jan Arentsz zaken. Uit ouder-leerling onderzoeken pikken ze vragen die ‘supersignalen’ zijn om te ontdekken of ze stappen zetten op hun belangrijkste pijlers: plezier, betekenisvol, feedback, autonomie en verschillen. “Maar we meten niet om af te rekenen, om targets te halen, maar om samen in gesprek te onderzoeken of we stappen zetten.”

Heel veel valt namelijk niet te meten, benadrukt Bruinzeel. “Je kunt rekenen en tegelijkertijd met persoonsvorming bezig zijn. Dat is vele malen ingewikkelder dan het toetsingskader suggereert.”

Sporenonderzoek

Onlangs vroeg een collega-bestuurder Bruinzeel of hij nog tips had voor het inspectiebezoek. “Ik denk dat mijn aanpak -eerst door het toezichtkader naar je organisatie kijken en dan op sporenonderzoek uitgaan- goed werkt. Je vertelt je verhaal en nodigt de inspecteurs uit in de dagelijkse praktijk te ontdekken wat ze daarvan terugzien. Als ze sporen vinden, is dat natuurlijk hartstikke leuk. Daar doe je het voor. Dat is de vraag die je de inspecteur mag stellen: te zoeken naar waar jij mee bezig bent.”

Lees ook het verhaal van Anne Bergsma. “Zorg er als bestuur voor dat je de inspectie meeneemt. Want sommige dingen vallen niet vanzelf zo op, daar moet je goed voor kijken. Als iemand dan zegt: ‘Zet die bril eens op, en kijk eens daar, dan zie je het’, dat helpt. Het is soms lastig om als inspecteur over begrenzing van je toezichtkader heen te kijken.”

PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs