U bent hier

Staat van het Onderwijs 2021: focus op de basisvaardigheden

De verschillen in het onderwijs zijn in het coronajaar groter geworden, zeker op het gebied van de basisvaardigheden. Dat is de hoofdconclusie uit de Staat van het Onderwijs, het jaarlijkse verslag van de Onderwijsinspectie over de toestand van het Nederlandse onderwijs. De oproep die inspecteur-generaal van het onderwijs Alida Oppers dan ook deed: focus op die basisvaardigheden.

De Staat van het Onderwijs 2021 beschrijft per onderwijssector hoe het is gesteld met het onderwijs in die sector. De Staat begint echter met een beschrijving van het onderwijsstelsel als geheel. Dit op basis van de maatschappelijke opgaven van het onderwijs zoals de inspectie die heeft gedefinieerd.

Het gaat hierbij om een operationalisering van de kernfuncties kwalificatie, socialisatie

en persoonsvorming, allocatie, selectie en gelijke kansen. Vanwege het wegvallen van (centrale) eindtoetsen en examens is het beeld dat de inspectie heeft slechts beperkt. Alleen voor het po zijn er gegevens bekend voor rekenen/wiskunde, spelling en schrijven. Daaruit komt naar voren dat op alle drie leergebieden er sprake is van een verminderde leergroei. Ook geeft de inspectie aan dat de verschillen tussen leerlingen en scholen groter zijn geworden. Daarbij spelen kenmerken van ouders (inkomenssituatie, opleidingsniveau en migratieachtergrond) een belangrijke rol. Met andere woorden: de kansenongelijkheid neemt weer toe.

Welbevinden van leerlingen en studenten staat onder druk

Ook op het gebied van socialisatie en persoonsvorming zijn de verschillen groter geworden. Daarbij speelt de manier waarop scholen dit aanbieden een belangrijke rol. Op sommige scholen is persoonsvorming duidelijk vormgegeven vanuit een visie. Op andere scholen is de aandacht meer impliciet, versnipperd of afhankelijk van individuele leraren. Volgens de scholen in het funderend onderwijs lijken de problemen bij leerlingen die moeite hebben met sociale en emotionele vaardigheden te verergeren, vooral tijdens de scholensluitingen.

Bestuurlijk handelen en aanvullend onderwijs

In deze Staat besteedt de inspectie specifiek aandacht aan besturen met langdurig laag presterende scholen of opleidingen in po, vo en mbo. Zijn er factoren die hier een rol spelen, zo vraagt de inspectie zich af. Factoren die worden genoemd, zijn: kwaliteit personeel, monitoring en bijsturing, onderwijskundige bestuurskracht en contextfactoren als leerlingenpopulatie en kenmerken van het voedingsgebied.

Ook heeft de inspectie onderzoek gedaan naar aanvullend onderwijs. Dit onderwijs heeft de laatste jaren een grote vlucht genomen. De inspectie wil graag weten wat de motieven van ouders om hun kind hieraan deel te nemen. Belangrijkste reden is een opgelopen achterstand van een kind of het idee dat hij/zij meer kan maar geen zin heeft of met hard werken naar een hoger niveau kan.

Maak van de reparatie een renovatie

In haar voorwoord doet Alida Oppers de oproep om de 8,5 miljard van het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) niet alleen te gebruiken voor het wegwerken van achterstanden, maar ook de voorwaarden voor duurzame verbetering te realiseren. En om daarmee ook kansenongelijkheid en teruglopende basisvaardigheden aan te pakken.

In de inmiddels meer dan duizend keer ondertekende brief van de Verus Denktank NPO wordt gewaarschuwd tegen het denken in onderwijsachterstanden en al te maakbare en meetbare korte termijnoplossingen.

PO | VO | MBO | HBO | WO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs