U bent hier

Schoolbesturen zien nieuw inspectietoezicht als stapje in de goede richting

Schoolbesturen en scholen zijn positiever over het nieuwe onderwijstoezicht dan over het oude. Dat blijkt uit een ledenpeiling van Verus met 178 respondenten. Toch zijn verbeteringen mogelijk. Vooral in de scheiding tussen de controlerende en stimulerende taak van de inspectie.

In 2017 heeft de onderwijsinspectie haar toezicht veranderd. Niet langer de scholen maar het gesprek met het bestuur is het vertrekpunt. En naast controleren of scholen aan de wettelijke deugdelijkheidseisen voldoen, mag de inspecteur scholen ook stimuleren hun kwaliteit te verbeteren. Verus-voorzitter Cor Clarijs: "Onze leden vinden het plezierig dat zij hun eigen verhaal en onderwijsplan kunnen presenteren, maar zij constateren ook dat de inspectie nog steeds teveel waarde hecht aan toetsresultaten en taal en rekenen. Bovendien ervaren zij dat het onderscheid in de controlerende en stimulerende rol van de inspectie niet helder is. Meer professionele ruimte voor scholen en meer waardering voor de persoonsvorming van leerlingen zijn verbeterpunten."

Over het algemeen zijn scholen goed op de hoogte van de informatie die de inspectie heeft over het bestuur en de scholen, die vormt de basis voor de ‘expertanalyse’. Ook kregen bestuur en directie meestal voldoende gelegenheid het schoolplan of eigen verhaal te presenteren. In sommige gevallen bleek er geen presentatie mogelijk op schoolniveau en leken inspecteurs weinig interesse te hebben in het verhaal van de school. 

Kritisch

Er is ruimte voor verbetering van het toezicht. Zo is 58% van de respondenten het eens met de stelling dat het bestuur voldoende gelegenheid heeft gekregen om input te geven op het onderzoeksplan van de inspectie. 57% vindt dat de inhoud en toon van de rapportage aansloot op de toon en inhoud van de gevoerde gesprekken.

Slechts 40% is het eens met de stelling dat voldoende onderscheid werd gemaakt tussen wat de wet vraagt (basiskwaliteit) en eigen aspecten van kwaliteit in het schoolplan. Het loopt te veel door elkaar, er wordt te veel ingezoomd op toetsresultaten en een bestuurder moest de inspecteur zelfs op het onderscheid wijzen. Bijna de helft van de respondenten vindt dat de rapportage handvatten biedt om aan de slag te gaan met de eigen visie op kwaliteit. Opmerkingen varieerden van "De hele toetsbatterij zou afgeschaft moeten worden en zeker de conclusies die hieruit worden getrokken" tot "Er zit veel expertise bij de inspectie en ik ben blij met hun inbreng in onze organisatie. Ik vind dat daar wel meer waardering voor zou mogen zijn."

Hoe kijken schoolbesturen terug op het bezoek?

Het slechtst scoort de stelling "De scheiding tussen de controlerende en stimulerende rol van de inspectie komt goed tot zijn recht". Ruim een derde van de respondenten is het daarmee eens. Het blijft een spanningsveld tussen controleren en stimuleren, het mag helderder en de controlerende kant was nog wel nadrukkelijk aanwezig, geven respondenten aan. Vier van de tien schoolbesturen en scholen zijn het eens met de stelling dat de huidige manier van toezichthouden door de inspectie voldoende vrijheid biedt voor professionele ruimte van leraren. "Het is al stukken beter dan vroeger", "De intentie is er wel, maar het is zoeken wat die vrijheid dan is of mag zijn." Maar ook: "De inspectienorm bij eindresultaten blijft een doorn in het oog", "Er wordt uitgegaan van staatsdidactiek", "Het is een drama, want leraren worden beknot en miskend als professional."
 

Persoonsafhankelijk

Het nieuwe inspectietoezicht sluit iets beter aan bij de verantwoordelijkheden van bestuur en school dan het oude, volgens 57% van de respondenten. Liever nog ziet men slechts een rol in het kijken naar alleen de wettelijke eisen. Soms had een inspecteur met het oude toezichtkader meer een stimulerende rol dan de inspecteur die met het nieuwe onderzoekskader werkt. Het is dus ook persoonsafhankelijk.

PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs