U bent hier

‘Geen mens mag de indruk krijgen dat hij of zij er minder toe doet’

Met gemengde gevoelens kijk ik terug op het politieke en publieke debat over de burgerschapswet van afgelopen week. Ja, een aantal van onze idealen waarvoor we hard gewerkt hebben, lijkt te worden verwezenlijkt, zoals steun voor de docent en een kritische blik op het toezichtskader. Tegelijk is het debat over de vrijheid van onderwijs de afgelopen dagen in een hoek van polarisatie en onbegrip terechtgekomen. Als respect, waardigheid en dus veiligheid niet voelbaar zijn kunnen we niet spreken over onderwijs. Dat zijn ook voorwaarden voor het democratische gesprek die door allen gevoerd moeten worden. Geen mens mag de indruk krijgen dat hij of zij er minder toe doet. 

Binnen dat respect, die waardigheid en die veiligheid, moet er ook ruimte zijn voor de eigen gewetensvrijheid. Maar die eigen gewetensvrijheid mag nooit de gewetensvrijheid van de ander beperken. Een optimist kan zeggen: het gesprek is nu gevoerd en we hebben gelukkig kunnen vaststellen dat iedereen de noodzaak van respect, waardigheid en veiligheid onderschrijft. Je zou ook kunnen zeggen: is het gesprek zoals dat deze dagen gevoerd is een écht gesprek zoals we dat ook in onze klassen gevoerd zouden willen zien? Want daar ging het politieke debat oorspronkelijk over, over burgerschapsvorming in onze klassen.

Fundament

Verus heeft in het afgelopen jaar voor en achter de schermen heel veel energie gestoken in het debat over de burgerschapswet die afgelopen maandag in de Tweede kamer is behandeld. Onze inzet: de vrijheid van onderwijs als (deel van) het fundament van de democratische rechtsstaat.

De wet geeft aangescherpte voorschriften vóór de les. De wet zet in op scherpere en strengere handhaving ná de les. Verus heeft zich steeds gericht op de les zelf. Onze benadering: het gaat om burgerschap als pedagogische opdracht. Een opdracht waarbinnen docenten hun pedagogische ruimte ook moeten kunnen ervaren.

Die ruimte is nodig om twee redenen. Enerzijds is de situatie in de klas steeds complexer. De vraagstukken van kansenongelijkheid, diversiteit en polarisatie nemen toe. Anderzijds wordt het verschil op deze terreinen in de les gemaakt. Daarnaast is geloof (of het nu het geloof in religieuze zin of het geloof in de vrijheid van meningsuiting is) nooit afdwingbaar, zeker niet in een klas. Wel kan het waardevolle gesprek, maar ook het waardevolle verschil van opvatting en juist het gesprek daarover in de klas plaatsvinden. Deze situaties zijn niet geholpen bij meer voorschriften en meer controle. Wat docenten nodig hebben is concrete steun om hun pedagogische opdracht uit te kunnen voeren en hun pedagogische ruimte te kunnen ervaren.

Gestimuleerd

De vrijheid van onderwijs heeft honderd jaar lang heel veel burgers gestimuleerd vanuit hun perspectief en overtuiging een bijdrage te leveren aan de samenleving en daarmee aan de democratische rechtsstaat. De vrijheid van onderwijs is daarmee ook voedingsbodem voor maatschappelijk engagement.

Democratie wordt ook wel omschreven als de manier waarop de samenleving het gesprek over zichzelf voert, op een vreedzame manier. Het is spijtig dat in het debat niet de ruimte is gevonden om de vraag te beantwoorden hoe langs deze weg het geloof in de democratische rechtsstaat een nieuwe impuls kan krijgen.

De grondwet biedt zelf niet de ultieme omschrijving van het goede leven. Ze maakt het vreedzame en veilige gesprek daarover juist mogelijk. Dat gesprek is nooit af, dat is de kern van democratie. Dat gesprek is nooit af, omdat het absoluut goede niet binnen ons bereik ligt, zoals de christelijke traditie ons leert. Het is mede de basis van onze radicale gelijkwaardigheid.

Vreedzame gesprek

In het verlengde daarvan: onderwijs is pas onderwijs als de deelnemers elkaar respecteren, elkaars waardigheid zien en (laten) voelen, als ze elkaar veiligheid bieden. Is dat niet het geval, dan kunnen we niet spreken over onderwijs. Dit betekent dat standpunten en diepgevoelde overtuigingen niet allereerst bestreden moeten worden, maar dat kritisch naar de achtergrond moet worden gevraagd. Wat staat erin voor de betrokkenen op het spel?

Verus heeft een jaar lang aandacht gevraagd voor dit niet-maakbare fundament van de democratische rechtsstaat: het geloof in de mogelijkheid van het permanente vreedzame gesprek. Dat geloof is geworteld in de rijke schakering van levensbeschouwelijke tradities die Nederland rijk is. Tradities die elke dag beproefd worden en die elke dag hun houdbaarheid wel of niet tonen. De overheid kan over de rijkdom van deze tradities niet beschikken. Ze kan er wel aan appelleren, erop vertrouwen en een beroep doen op de mensen die deze tradities dragen. En daarmee krijgt de vrijheid van onderwijs ook weer de rol die juist zo voedend is voor het onderwijs: een verzekering van maatschappelijk engagement in het onderwijs.

Verus zal zich in ieder geval blijven inspannen om het gesprek te blijven voeren, steeds opnieuw, opdat geen mens de indruk zou mogen krijgen dat hij of zij er minder toe doet. 

Nieuwe reactie inzenden

Berend Kamphuis

voorzitter college van bestuur
0348 74 44 01