U bent hier

Zorgen over passend onderwijs en perverse prikkels in het beroepsonderwijs

Kwaliteit
VO | MBO

Het kabinet mag dan demissionair zijn, de Vaste Kamercommissie voor OCW wilde toch met minister Jet Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker overleggen over ontwikkelingen in het beroepsonderwijs. Voor dit overleg dat gisteren plaatsvond stonden verschillende brieven van het kabinet geagendeerd, waaronder de brief Sterk beroepsonderwijs, de reactie op adviezen van de Onderwijsraad en de SER over het beroepsonderwijs en de brief Passende ondersteuning voor alle mbo-studenten over passend onderwijs in het MBO. 

Passend onderwijs in mbo onduidelijk

Over dit laatste thema hield de Commissie op 17 mei een hoorzitting met studenten, onderwijsbestuurders en andere deskundigen. Uit deze hoorzitting kwam het beeld naar voren dat mbo-instellingen hun best doen, dat er veel goed gaat, maar dat er ook sprake is van soms schrijnende situaties waarin studenten niet de zorg krijgen waar zij recht op hebben en ten onder dreigen te gaan in de complexe wereld van overeenkomsten, voor hen onduidelijke zorgstructuren en perverse prikkels in de regelgeving.

Onderwijsovereenkomst: wurgcontract of bescherming?

Een van de thema’s die verschillende Kamerleden hadden meegenomen uit de hoorzitting was de onderwijsovereenkomst, het contract tussen mbo-student en instelling dat bij de start van de opleiding wordt getekend. Tijdens de hoorzitting werd er door verschillende sprekers kritiek geleverd op de onderwijsovereenkomst. Deze zou in de praktijk slechts een administratieve verplichting zijn of zelfs een “wurgcontract”. Wat is het nut eigenlijk van de onderwijsovereenkomst en kan hij niet beter afgeschaft worden, zo wilde een aantal Kamerleden weten van de minister. 

De bewindsvrouw toonde zich verbaasd over de vele vragen hierover. Volgens haar is de onderwijsovereenkomst juist bedoeld om studenten te beschermen. Ze zegde toe in overleg met instellingen en studenten te gaan onderzoeken of het document nog voldoet aan dat beoogde doel.

Geen wettelijke zorgplicht

Tijdens de hoorzitting en het overleg van gisteren kwamen ook verschillen tussen passend onderwijs in het primair en voortgezet onderwijs en in het mbo ter sprake. Zo is er in het mbo, in tegenstelling tot het po en vo, geen sprake van een wettelijke zorgplicht. En de behandeling van klachten (ook op andere gebieden dan passend onderwijs) is minder goed geregeld. 

Volgens minister Bussemaker is het niet nodig om alles wat er in het funderend onderwijs geregeld is 1 op 1 te kopiëren naar het mbo. Maar er worden volgens haar wel degelijk zaken verbeterd. Zo worden per 1 augustus a.s. het toelatingsrecht en het wettelijk klachtrecht waarmee iedere instelling een onafhankelijke klachtencommissie moet hebben van kracht. Dit alles zou de positie van studenten ten opzichte van het instellingsbestuur moeten verbeteren. Bovendien hebben mbo-instellingen zich te houden aan de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. 

In verband met de voor studenten soms ondoorzichtige organisatie van de zorg en ondersteuning deed de minister de aanbeveling om te werken met één aanspreekpunt. En binnenkort stuurt ze een brief naar de instellingen over de begrijpelijkheid voor studenten van alle informatie over zorg en ondersteuning.

Perverse prikkels

Nog een ander punt dat in de hoorzitting aan de orde kwam werd door Kamerleden in het overleg met de bewindspersonen ingebracht: de cascadebekostiging en andere perverse prikkels zoals de studiewaarde, waardoor instellingen mogelijk financiële belangen hebben bij het adviseren of toelaten van studenten. Volgens Bussemaker mogen instellingen studenten nooit weigeren om financiële redenen. De cascade in de bekostiging is bedoeld om ervoor te zorgen dat studenten niet langer op school zitten dan noodzakelijk is. 

De minister stelde dat op sommige instellingen meer wordt gestapeld dan op andere. Daarom zijn er inmiddels extra middelen voor instellingen met relatief veel stapelaars. De cascade is door haar ook afgevlakt. Een verdere afvlakking zou leiden tot grote herverdelingseffecten. De keuze hiervoor wil de bewindsvrouw overlaten aan de nieuwe coalitie.

Samenwerkingsverband mag geen Poolse landdag worden

In de brief Passende ondersteuning voor alle mbo-studenten kondigt de minister aan mbo-instellingen te willen verplichten zich aan te sluiten bij het overleg tussen samenwerkingsverbanden passend onderwijs in het voortgezet onderwijs en gemeenten. Naar aanleiding van vragen hierover van enkele Kamerleden stelde de minister dat zij niet uit is op Poolse landdagen en ook geen nieuwe overlegstructuren in het leven wil roepen. Over de overlegverplichting zal na de zomer een wetsvoorstel verschijnen.

In het overleg werd vanuit de Kamer gewezen op het belang van vmbo-mbo routes. De minister wil deze routes wettelijk vastleggen, maar benadrukte dat het hier gaat om het bieden van ruimte voor maatwerk en niet om het verplicht opleggen. Daarnaast wees ze op het belang van het begeleiden van jongeren die de overstap van vmbo naar mbo maken.

Samenwerking heeft soms duwtje nodig, zegt Dekker

Door de demografische krimp wordt het in een aantal regio’s steeds moeilijker om een breed aanbod aan technische opleidingen aan te bieden. Volgens staatssecretaris Dekker zal deze problematiek zich binnen afzienbare tijd niet alleen in het vmbo, maar ook in het mbo voordoen. Hij wees op de inzet van de accountmanagers leerlingendaling van zijn ministerie en de recent geïntroduceerde vernieuwde profielen in het vmbo als bijdragen aan oplossingen. 

Volgens hem is samenwerking tussen scholen nodig en hij constateerde dat die samenwerking soms een duwtje nodig heeft waarbij scholen over hun schaduw heen moeten stappen. Vanuit de Kamer werd gevraagd om een kaart waarop inzichtelijk wordt gemaakt waar studenten binnen één uur fietsen technisch onderwijs kunnen bereiken en waar niet. Dekker zegde een dergelijke kaart toe waarbij hij het uur fietsen zal vervangen door een afstand van 10 km.

Bussemaker: ‘Instellingen durven ruimte niet te pakken’

Een aantal Kamerleden sneed het thema regeldruk aan. Zo leiden de prestatieafspraken tot extra verantwoordingslasten. De minister erkende dit en noemde hierbij de discussie rond alternatieven voor de lumpsum. Daarnaast wees ze op het vernieuwde Inspectietoezicht per 1 augustus a.s. waarbij de nadruk meer zal liggen op de eigen visie van instellingen dan op af afvinklijstjes van derden. Volgens Bussemaker durven overigens veel instellingen de ruimte die ze hebben niet te gebruiken. Ze beloofde deze zomer bij de eerste evaluatie van de kwaliteitsafspraken een overzicht te zullen leveren van waarover en aan wie instellingen allemaal verantwoording moeten afleggen.

Lof voor het mbo

Andere mbo-onderwerpen waarover gisteren werd doorgesproken waren o.a. stages, de problemen met de bbl, de studiebijsluiter en de kwalificatiestructuur. Veel volksvertegenwoordigers benadrukten dat er veel goed gaat in het mbo en dat deze sector ook internationaal gezien heel goed scoort. De negatieve beeldvorming zou doorbroken moet worden. De bewindslieden beaamden dit. In de woorden van Sander Dekker: “Ouders zouden trots moeten zijn als hun kind naar beroepsonderwijs mag.”

Aan het eind van het overleg waren nog niet alle Kamerleden tevreden. Verschillende van hen kondigde aan een motie te willen indienen. Hiervoor zal een zogenaamd VAO worden ingepland.