Publicatiedatum: 8 juni 2022

Goed onderwijs voor alle kinderen is zijn missie. “Kwaliteit is het enige dat telt. Het gaat erom dat je als school toegevoegde waarde hebt in brede zin. Ouders vertrouwen het kostbaarste dat ze hebben aan ons toe, en dan kun je niet volstaan met ‘we doen het wel aardig’. Middelmaat is niet voldoende.”

Pedagogische opdracht 

Van den Berg is de eerste om te erkennen dat kwaliteit meer is dan het inspectieoordeel. “Maar dat is nu eenmaal de enige objectieve maat die we hebben.” Hij is er bovendien van overtuigd dat scholen langs de meetlat van de inspectie alleen goed of excellent kunnen scoren als ze vanuit hun pedagogische opdracht werken. “Daarmee maken we het verschil.”

Juist bij die scholen zijn de niet-meetbare aspecten van goed onderwijs merkbaar, weet Van den Berg. “Bij goede scholen hebben we die scherp in beeld. Daar zie je en voel je dat ze aansluiten bij de behoeften van het kind.” Zo is bij een sbo-school in een ‘moeilijke’ wijk die het predicaat ‘goed’ heeft gekregen, waarschijnlijk niet het taal- en rekenonderwijs doorslaggevend, maar de aanwezigheid van een schoolmaatschappelijk werker die oog heeft voor de thuissituatie van de kinderen. Of de onderwijskundige ontwikkeling op een school in een wijk met veel inwoners in een lage sociaal-economische status, waar afgelopen jaren het hele team consequent heeft gewerkt aan verbeteringen.

Rolf1

Rolf van den Berg tijdens zijn afscheid.

Zuiniger zijn op leraren 

De weerbarstige grootstedelijke context, in combinatie met alle eisen die de overheid stelt, maakt het voor leraren wel extra moeilijk om hun pedagogische opdracht centraal te stellen, ziet Van den Berg. “Als je in het basisonderwijs alle prioriteiten moet vervullen die de politiek op de scholen legt – van taal en rekenen tot ICT en van burgerschap tot sport, muziek en techniek – in een context waarin veel kinderen extra ondersteuning nodig hebben, dan is dat, zeker als je net van de pabo komt, een bijna onmogelijke opdracht.”

Hij pleit er dan ook hartstochtelijk voor om zuiniger te zijn op leraren. Geef hun meer tijd om zich te ontwikkelen, door bijvoorbeeld te beginnen met een beperkt aantal vakken en vooral “vanuit de pedagogiek te leren werken”.

“Er is tijd voor nodig om zo’n groep leerlingen niet als een grauwe massa te zien maar als 25 individuen. Er is tijd voor nodig om klassenmanagement niet als een probleem te leren zien maar als een uitdaging waar je plezier aan kunt beleven.” Beginnende leerkrachten die nu vooral bezig zijn om zich te handhaven, kunnen zich dan meer richten op wat zij voor hun leerlingen kunnen, willen en moeten betekenen.

Iets wat er bijkomt

Burgerschapsvorming is ook zo’n onderdeel van dat hele pakket waar scholen en leraren iets mee moeten. Het hoort natuurlijk bij de pedagogische opdracht van het onderwijs, maar wordt door scholen vaak ervaren als iets dat er ook nog bijkomt. Voor Van den Berg staat voorop dat de school er ook is om kinderen te helpen “zich te ontwikkelen als sociaal wezen met kennis van de wereld en de maatschappij. Hoe breder dat is, hoe meer zij als mens tot ontwikkeling kunnen komen.”

Maar de omstandigheden waaronder de nieuwe burgerschapswet van kracht werd, waren voor de scholen bepaald niet ideaal. “Onze directeuren moesten alles tegelijk doen: corona het hoofd bieden, noodopvang op poten zetten, de kwaliteit van de digitale lessen waarborgen, ondersteuning in de school regelen – en toen kregen ze ook nog burgerschapsvorming erbij.” En dan ook nog vanuit een inspectie die eist dat het allemaal goed op papier staat. “Natuurlijk moeten we het goed kunnen verantwoorden, maar het gevaar van doorschieten is nadrukkelijk aanwezig.”

Burgerschapskompas 

De scholen waren volgens hem dan ook zeer geholpen met het Burgerschapskompas dat Verusadviseurs bij hen hebben afgenomen. Daardoor kregen zij een goed beeld van hun sterke punten en hun ontwikkelmogelijkheden op dit gebied. Het uitgangspunt is wat zij zelf vanuit hun missie en visie en in hun context met burgerschapsvorming beogen. “Dat heeft hen zeker geholpen en enthousiast gemaakt om met Verus een vervolgtraject in te gaan.” In dat traject helpen dezelfde Verus-adviseurs hen om de uitkomsten van het kompas te verwerken in een plan met concrete doelen en leerlijnen.

Verbinding 

In de Burgerschapskompassen viel op hoezeer de scholen, juist vanuit hun christelijke identiteit, een bijdrage willen leveren aan verbinding in de samenleving. Dat is Van den Berg uit het hart gegrepen. Niet voor niets had hij bij zijn afscheid sprekers met een joodse, christelijke en islamitische achtergrond uitgenodigd.

“Zonder de verbinding vanuit identiteitsrijk onderwijs krijg je een steeds verder uiteendrijven en toenemende onverdraagzaamheid in de maatschappij. Veel identiteitsrijke scholen hebben die verbinding in hun missie en pedagogische opdracht staan, en dat is een belangrijke factor in de maatschappij. Ik vind dat echt van toegevoegde waarde.”

Gerelateerde berichten