Publicatiedatum: 15 december 2021

Op 23 september jl. heeft de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS daarover een interessante uitspraak gedaan, onder nummer 2021002113. De kwestie was als volgt.

Bij een stichting, die het bevoegd gezag vormt van drie bescheiden scholen met bij elkaar nog geen 400 leerlingen is een bestuurder en een raad van toezicht. Tussen die beide is een en ander voorgevallen, en een aantal leden van de raad van toezicht stapt op. Hij besluit twee leden ad interim te benoemen, en stelt de GMR daarvan in kennis. Ook wordt meegedeeld dat de GMR zelf ook in de gelegenheid wordt gesteld een lid voor de raad van toezicht voor te dragen. Om een of andere reden is de GMR echter op de hand van de bestuurder en hij besluit het vertrouwen in de raad van toezicht op te zeggen. Niet dat dat juridisch gewicht in de schaal legt, maar als signaal is het niet onbelangrijk.

Geen advies

In het (ongevraagde) advies stelt de GMR voor dat de hele raad van toezicht aftreedt, wat niet gebeurt. Wanneer de raad van toezicht de betreffende leden benoemt beklaagt de GMR zich er over dat hij niet in de gelegenheid gesteld is geweest een advies uit te brengen over het profiel van deze leden. Volgens artikel 11 lid 1 onder q Wms had dat wel gevraagd moeten worden. Om een lang verhaal kort te maken: na het mislukken van een mediation-traject wendt de GMR zich tot de commissie en maakt een adviesgeschil aanhangig. Er is geen advies gevraagd, en volgens artikel 34 lid 3 Wms kan de GMR daarbij het advies verstrekken dat zou zijn gegeven indien advies zou zijn gevraagd, een bepaling die veel van het inlevingsvermogen van de GMR vergt.

Verder stelt de GMR dat in strijd met artikel 17d lid 2 van de Wet op het primair onderwijs (WPO) de raad van toezicht niet twee maal per jaar met hem heeft overlegd. Tenslotte vraagt de GMR van de commissie of ze de raad van toezicht de opdracht kan geven de eigen statuten na te leven, voor wat betreft een aantal aangelegenheden rondom de benoeming en zittingstermijnen van de leden van de raad van toezicht. Besluiten die in strijd met de eigen statuten zijn genomen zijn nietig of op zijn minst vernietigbaar, betoogt de GMR, en hij verwijst daarbij naar een aantal bepalingen uit Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), met name de artikelen 14 tot en met 16. Ook zou de raad van toezicht het verbod opgelegd moeten krijgen de ad interim benoemde leden in te laten schrijven in het Handelsregister, of, als dat al gebeurd mocht zijn, het gebod op te leggen die inschrijving ongedaan te maken.

Niet-ontvankelijk

De commissie heeft de zaak nauwkeurig bekeken en komt tot de volgende conclusie:

Het adviesgeschil blijkt niet-ontvankelijk te zijn. De raad van toezicht heeft namelijk geen ander profiel gebruikt voor de benoeming van de leden dan dat wat een half jaar daarvoor aan de GMR was voorgelegd, en in welk geval de GMR afstand van zijn adviesrecht had gedaan. En voor zover dat niet of onvoldoende expliciet gebeurd is, is de termijn waarbinnen een dergelijk verzoek aan de commissie al lang verstreken.

De nalevingsgeschillen worden grotendeels eveneens niet-ontvankelijk verklaard. De reden daarvoor is heel eenvoudig: artikel 35 lid 1 Wms stelt dat de (G)MR aan de commissie een geschil voorleggen inzake naleving door het bevoegd gezag van de bij of krachtens de Wms of een onderwijswet geldende verplichtingen jegens de medezeggenschapsraad. En het BW is geen onderwijswet. Bovendien kan de vraag gesteld worden of het benoemen of juist het afzien daarvan van leden van de raad van toezicht aan te merken zou zijn als naleving van een verplichting jegens de GMR. Het enige punt waarop de GMR in het gelijk wordt gesteld is de eis dat de raad van toezicht twee maal per jaar met de GMR moet overleggen. Dat staat in de WPO, en dat is wel een onderwijswet.

Bevoegd gezag

Verder is het goed op te merken dat ‘het bevoegd gezag’ door de commissie terecht wordt uitgelegd als de rechtspersoon die de scholen in stand houdt, i.c. de stichting. De stichting wordt normaliter vertegenwoordigd door haar bestuur, maar het bestuur ís niet het bevoegd gezag. In een aantal gevallen treedt echter de raad van toezicht op namens de stichting en dan geldt overleg met de raad van toezicht als overleg met ‘het bevoegd gezag’. Die gevallen zijn bijvoorbeeld de vaststelling van de competentieprofielen van bestuurders en toezichthouders, en de benoeming of het ontslag van bestuurders.

Gerelateerde berichten