U bent hier

Hoe staat het met de burgerschapskennis van tweedeklassers?

Kwaliteit
VO

Door Jacomijn van der Kooij en Nico Dullemans, adviseurs identiteit

‘Het kabinet wil meer ‘burgerschap’ op scholen’ zo kopte NOS.nl afgelopen week. Het artikel haalt het onlangs verschenen internationale onderzoek naar burgerschapsvorming en de deze week verschenen kamerbrief van minister Slob als reactie op dit onderzoek aan. Waar ging dit eigenlijk over?

Burgerschapscompetenties getest

Het onderzoek International Civic and Citizenship Education Study 2016 is een internationaal onderzoek dat burgerschapscompetenties van 14-jarige leerlingen in het voortgezet onderwijs in 24 landen met elkaar vergelijkt. In Nederland werden de burgerschapskennis, - vaardigheden en -attitudes van leerlingen uit de tweede klas van het vo van 123 scholen in kaart gebracht. Het onderzoek concentreerde zich op de domeinen democratie, maatschappelijke basiswaarden, maatschappelijke participatie en identiteit.

De leerlingen vulden vragenlijsten in waarin hun kennis werd getest en rapporteerden zelf over hun vaardigheden, attitudes en (toekomstig) gedrag. Daarbij werden ook vragenlijsten op schoolniveau en leraarniveau uitgezet. Toen de resultaten van het onderzoek eerder deze maand bekend werden, gingen er vele alarmbellen af. Het onderzoek liet namelijk zien dat Nederlandse scholieren weliswaar qua burgerschapskennis in vergelijking met andere landen gemiddeld scoren, maar dat hun kennis over burgerschap minder is dan scholieren in landen die vergelijkbaar worden gesteld met Nederland (Scandinavische landen, Vlaanderen). Wel was er een vooruitgang te zien in vergelijking met 2009, toen dit onderzoek ook plaatsvond. De resultaten van het onderzoek komen overigens voor een groot deel overeen met het onderzoek dat de inspectie in het begin van dit jaar presenteerde.

Opvallende uitkomsten

  • Leerlingen geven zelf aan dat scholen weinig aan burgerschapsvorming doen. Er is bijvoorbeeld weinig aandacht voor hoe zij kunnen stemmen, of hoe wetten gewijzigd worden. Dit komt overeen met het geluid vanuit de docenten die aangeven zich op inhoudelijk- en kennisniveau onzeker te voelen.
  • Een andere opvallende uitkomst is dat leerlingen het sociale klimaat in de klas minder positief ervaren dan leeftijdsgenoten in vergelijkbare landen. Zij hebben minder het gevoel dat er ruimte is voor discussie, eigen meningsvorming en voor een afwijkende mening. Docenten daarentegen geven aan zich juist wél zeker te voelen in hun eigen capaciteiten van het stimuleren van kritisch denken.
  • Verschillen in uitkomsten binnen Nederland kunnen te herleiden zijn tot de relatief vroege selectie van schoolniveau voor leerlingen. Vwo-klassen hebben bijvoorbeeld de meeste kennis en de meest positieve democratische attituden.

Kanttekeningen bij het onderzoek

Het onderzoek toont de hoge urgentie om met burgerschap aan de slag te gaan. Gelukkig merken wij dat dit thema bij steeds meer scholen op de agenda komt te staan. Men is bezig met visievorming en implementatie. Maar we willen ook een aantal kanttekeningen en reflecties plaatsen bij de onderzoeksresultaten.

De belangrijkste hiervan is de leeftijd van de leerlingen. Op veel scholen in Nederland komen zaken rondom burgerschap pas na het tweede leerjaar aan de orde. Zo wordt het vak maatschappijleer pas in hogere klassen dan de tweede gegeven en vindt ook de maatschappelijke stage pas in de bovenbouw plaats. In andere landen hebben dit soort thema’s al eerder in het onderwijs een plek. De vraag is dus wat de resultaten van het onderzoek zeggen over het Nederlandse burgerschapsonderwijs in het algemeen.

Daarbij blijft het onderzoeken van deze thema’s met behulp van zelfrapportage en vragenlijsten erg ingewikkeld. Immers, wat ‘meet’ je nu precies wanneer een leerling een multiplechoicevraag beantwoordt over verwacht toekomstig stemgedrag of over kennisaspecten van burgerschap? Gaat het behalve de keuze voor één van de antwoorden niet voor een groot deel over de reflectie die leerlingen plegen, de gesprekken die hieromheen gevoerd worden en het stap voor stap meenemen van leerlingen in burgerschapsthema’s?

Burgerschapsonderwijs is geen training

Burgerschapsonderwijs moet toch vooral als vorming worden opgevat: leerlingen tijdens de schooltijd in aanraking laten komen met leraren die tijdens kwetsbare momenten en bij de behandeling van gevoelige onderwerpen het goede hebben weten te doen, de juiste toon hebben getroffen, empathie hebben getoond. Momenten die  soms ‘zomaar’ ontstaan en waarop (bijna) iedereen zich als persoon competent voelde om tot een beter inzicht te komen en tot een afgewogen oordeel. Zo bezien is burgerschapsvorming zeker geen kwestie van het bezitten van competenties. Het is geen training.

Gelukkig heeft de minister daar in zijn kamerbrief ook aandacht voor als hij schrijft: ‘Burgerschap leer je ook door te doen en door te ervaren. Onderzoek laat zien dat democratie, en wat het betekent om te leven in een democratische rechtsstaat, over te brengen is via ervaringsleren, en niet alleen via cognitieve overdracht. De school is idealiter een omgeving waarin leerlingen uitgenodigd worden om waarden te delen en waarin ze ervaring kunnen opdoen met het ontwikkelen van wederzijds begrip en respect voor elkaars overtuiging’.

Wij voegen daar aan toe dat met vallen en opstaan indirect gewerkt wordt aan wat een democratische geest genoemd mag worden. De school is op die momenten een oefenplaats geweest. 

Compromissen zoeken

Een van de Nederlandse scholen die aan het ICCS-onderzoek hebben meegedaan, is de Katholieke Scholengemeenschap in Etten-Leur (KSE). Ivo Pertijs, die daar afdelingsleider is en docent maatschappijleer en maatschappijwetenschappen, vertelde eerder hoe zijn school met burgerschapsvorming omgaat. Ivo is er ook als MT-lid verantwoordelijk voor.

Ivo: “Kenmerkend voor mij is dat ik alsmaar bij de leerlingen terugkom met de vraag: ‘Wat heb je eraan dat je dit nu begrijpt?’ Bijvoorbeeld waarom er voortdurend gezocht moet worden naar compromissen, zowel op nationaal als internationaal niveau. Als je dat niet beseft, kun je een verkeerd beeld ontwikkelen van onze politici. Of waarom discussies over de rechtstaat zo belangrijk zijn. Leerlingen denken vaak dat de vrijheid van godsdienst al geregeld is omdat het in de Grondwet staat, maar net zoals de andere grondrechten blijft ook dit onderwerp van discussie. Iets anders is dat ik altijd de leerlingen bij de samenleving wil betrekken. Zij maken er immers deel van uit. Scholen zijn overigens verplicht om aandacht te schenken aan burgerschapsvorming. We krijgen wel de ruimte om hier zelf vorm aan te geven. Mijn school streeft naar kritische en betrokken leerlingen.”

Betrokkenheid en opbouwende kritiek

De kernwaarden van de KSE zijn: samenwerken, elkaar waarderen en ruimte geven om te groeien. Ivo: “Deze elementen herken je één-op-één in onze burgerschapsvisie. Voor een goede samenwerking, op alle niveaus, is betrokkenheid nodig. En in kritiek kan zeker ook waardering zitten. Opbouwende kritiek biedt je de kans om je verder te ontwikkelen. Hoewel de kernwaarden en burgerschapsvisie relatief nieuw zijn, waren ze op deze school altijd al aanwezig. Dat is in ieder geval mijn ervaring als oud-leerling. Ook in mijn tijd was er inspraak geregeld. Dit heb ik altijd gewaardeerd. Deze benadering sluit aan op mijn manier van lesgeven.”

Als docent krijgt Ivo steun vanuit de organisatie. “Zo kreeg ik kort nadat ik op deze school kwam ruimte om politieke debatten te organiseren. Als je grote aantallen leerlingen bij dit soort debatten betrekt – aan sommigen debatten namen honderden leerlingen deel – dan vraagt dat niet alleen het nodige vertrouwen van de schoolleiding, maar heb je ook materiële ondersteuning nodig. Deze debatten organiseer ik in het kader van burgerschapsvorming en zijn doorgaans niet-vakgebonden of juist vakoverstijgend. Het uitnodigen van politici van diverse pluimage sluit ook aan op de burgerschapsvisie van de school, namelijk het ontwikkelen van kritische en betrokken leerlingen. Inmiddels is er een cultuur ontstaan waar debatten deel van uitmaken. Dit was nooit gelukt als ik de vrijheid van de school om dit te organiseren niet had gekregen.”