U bent hier

De natuurkundeleraar wil weten hoeveel swag zijn les heeft

Brede vorming | Kwaliteit
PO | VO | MBO

Dit is de swagometer. En de leerlingen van natuurkundedocent Arjan van der Meij kunnen daarmee aangeven hoeveel swag zijn lessen hebben. “Een mooie manier van feedback.” Oh ja: Van der Meij is maker en hij bouwt de meter zelf.

De leerlingen van zijn 4 havo-klas op Christelijk College de Populier in Den Haag zeiden vorig jaar eens dat zijn les echt swag had. “Ze moesten me uitleggen wat dat betekent”, bekent Van der Meij. Swag is straattaal voor cool, stoer, stijl hebben. De natuurkundige in Van der Meij wilde dat natuurlijk meetbaar maken. 

Swagometer

Van der Meij is niet alleen natuurkundedocent. Hij is ook ambassadeur van makeronderwijs (of Maker education) in Nederland. Dat is leren door te maken. Zijn leerlingen kregen de opdracht een apparaat te ontwerpen dat meet hoeveel swag een les heeft. Het resultaat was een functioneel ontwerp met een stemkastje. 

Hun leraar zag er wel wat in: “Het houdt mij al langer bezig hoe je ervoor kunt zorgen dat leerlingen feedback op je les geven. Dit is een mooie manier.” De leerlingen stelden voor bij de swagometer ook een bakje te plaatsen voor briefjes waarop zij kunnen schrijven waarom de les al dan niet swag heeft.

Kop van Jut

Samen met zijn vriend en toa Rolf is Van der Meij nu aan het bouwen. “Het ontwerp is best eenvoudig: een paal met vijftien lampjes, een soort kop van jut.” Die gaat in zijn klas hangen en aan het einde van de les, start Van der Meij hem op. “Een druk op de groene knop betekent ‘swag’, de rode knop staat voor ‘nonswag’. Vanaf een bepaald aantal punten brandt een groen zwaailicht en klinkt er een leuk muziekje.” Heeft de les geen swag, dan brandt er een rood licht en klinkt een treurig muziekje. 

Makeronderwijs 

Als docent die makeronderwijs geeft, gelooft Van der Meij dat hijzelf ook continu dat proces van maken moet doorlopen. “Zodat ik weet wat de leerlingen doen. Ik weet hoe het is om te zoeken en te maken en kan de leerlingen zo ook beter helpen.”

Het makeronderwijs druppelt langzaam door in de reguliere lessen op de Populier. “Ik geloof dat zo’n manier van onderwijsvernieuwing rustig moet verlopen. Je moet niet in één keer alles op zijn kop zetten en alleen maar dingen maken in de klas.”

Gewone lessen blijven nodig

Bovendien gelooft deze maker ook niet dat makeronderwijs alle lesstof kan vervangen. “Leerlingen die meer weten, kunnen ook beter maken.” En maken kost tijd: spullen aanschaffen, knutselen, rotzooi opruimen… “Een collega van mij geeft biologie en heeft de lessen over de lever in een maakopdracht gegoten. Hartstikke leuk, maar in plaats van één les, heeft hij er nu vier, vijf nodig. Tegelijkertijd is het resultaat onbetaalbaar.”

De focus terug

Als leerlingen dingen kunnen maken, kunnen ze zich beter verhouden tot de techniek en geef je hen tools in handen om de wereld mooier te maken, gelooft Van der Meij. “En het motiveert enorm. Als je iets wilt maken, wil je ook alles leren om ervoor te zorgen dat je het ook kúnt maken. Bovendien brengt het de focus terug: ik zat net na te kijken en wordt om de haverklap afgeleid door mijn telefoon. Als ik aan het maken ben verdwijnt alles om me heen. Het is heel goed om dat te ervaren.” 

Meer weten over makeronderwijs? 

Gisteren schoven twee vertegenwoordigers van de Maker Movement aan bij BNR. Luister hier terug