U bent hier

Bijzondere uitspraak in zaak Entreerecht

Personeelsbeleid
VO

Rond het entreerecht (dat bovenbouw-docenten recht geeft op een LD-functie) werden de afgelopen jaren veel procedures gevoerd. Vrijwel steeds kreeg de leraar gelijk. Maar onlangs stelde het Gerechtshof een schoolbestuur in het gelijk.

In 2014 – 2015 was het entree-recht in het voortgezet onderwijs een redelijk hot item. Immers al sinds 2007-2008 was het volgende aan de docenten in het vooruitzicht gesteld: leraren met een eerstegraads bevoegdheid die structureel voor 50% of meer van hun lessen in de bovenbouw havo of vwo gaven, kregen per 1 augustus 2014 aanspraak op een LD-functie. 
De cao-partijen kwamen vlak voor 1 augustus 2014 tot de conclusie dat het entreerecht geen goed instrument was. Besloten werd het cao-artikel voor één schooljaar aan te passen en vervolgens met ingang van 1 augustus 2015 af te schaffen. 

Het gewijzigde artikel luidde: Vanaf 1 augustus 2014 heeft elke docent met eerstegraads bevoegdheid die 50% of meer van zijn lessen in de bovenbouw havo/vwo lesgeeft, recht op een LD-functie. Deze tekst gaf aanleiding voor de opvatting dat de toedeling van de lessen voor het schooljaar 2014-2015 het (enige) ijkpunt was voor de aanspraak op het entreerecht. En daarmee werd de discussie over de vraag welke cao van toepassing was onderdeel van het debat. 

Er zijn de afgelopen jaren veel procedures gevoerd met als inzet het entreerecht, bij de commissies van beroep en de kantonrechter. Voor zover bekend is de hier beschreven casus de enige waarbij het Gerechtshof een oordeel heeft gegeven. 


Welke cao geldt?

De casus is in grote lijnen de volgende. Een lerares, al langere tijd werkzaam bij de school, geeft zowel in de onder- als in de bovenbouw les. Met ingang van het schooljaar 2014-15 geeft zij minder dan 50% van haar lessen in de bovenbouw havo-vwo. In de jaren 2012-13 en 2013-14 heeft zij vanwege incidentele omstandigheden meer dan 50% van haar lessen in de bovenbouw gegeven. Dat was ook het geval in 2011-12 als Z-uur en mentoruur als les zouden worden aangemerkt.

De lerares stelt in de eerste plaats dat de (verlengde) cao 2011-12 van toepassing is omdat de lessentoedeling 2014-15 vóór de inwerkingtreding van de cao 2014-2015 was vastgesteld. Zowel de kantonrechter als het hof verwerpen deze stelling. In beide instanties wordt de vordering beoordeeld op basis van de cao 2014-2015 met als argument dat nu eenmaal de nieuwe cao in werking trad op de peildatum van het entreerecht en de oude cao op die datum haar werking verloren had.  Bepalend is dus de toedeling van lessen vanaf 1 augustus 2014. Op basis van de cao kon de lerares derhalve geen aanspraak maken op het entreerecht. 

Gerechtvaardigd vertrouwen

De vraag is vervolgens aan de orde of het schoolbestuur in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld door de lerares per 1 augustus 2014 minder dan 50% lessen bovenbouw toe te delen. 
Als de lerares er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij op 1 augustus 2014 50% of meer lessen in de bovenbouw zou krijgen, zou haar alsnog het entreerecht toekomen. De bewijslast van feiten en omstandigheden die dat vertrouwen kunnen rechtvaardigen rust op de lerares. 

Het schoolbestuur bij monde van de advocaat van Verus heeft omstandigheden aangevoerd waaruit bleek dat aan de lerares toevallig in twee opeenvolgende jaren meer lessen bovenbouw waren toebedeeld dan voordien. Het hof acht die toevallige omstandigheden voldoende aannemelijk en onvoldoende weerlegd. Het Hof concludeert dat de lerares geen gerechtvaardigd vertrouwen kon en mocht hebben dat haar ook in 2014-2015 50% of meer van haar lessen in de bovenbouw havo-vwo zou worden toebedeeld. 

Strijd met goed werkgeverschap 

Het Hof verwerpt ook de stelling van de lerares dat het schoolbestuur in strijd met goed werkgeverschap gehandeld heeft door haar bij de toedeling van de uren voor 2014-15 benadeeld te hebben. Dat zou de lerares dan moeten bewijzen. Dat het schoolbestuur voor dat jaar is afgeweken van het voorstel van de sectie om een extra klas aan de lerares toe te delen en besloot om deze lessen aan een lerares toe te delen die een eerstegraads opleiding volgde, viel binnen de beleidsvrijheid van het schoolbestuur die volgens het Hof toekomt aan het schoolbestuur ook ten aanzien van de urentoedeling.

Bijzonder resultaat

Al met al, zeker gelet op de vele uitspraken van de verschillende commissie van beroep over het entreerecht die vrijwel steeds de leraar in het gelijk stelden, een bijzonder resultaat. Hoewel het entreerecht mogelijk niet meer zo snel onderwerp van geschil zal zijn is de uitspraak toch van belang vanwege de oordelen over de toepasselijke cao,  het gerechtvaardigd vertrouwen en strijd met goed werkgeverschap. 

Heeft u vragen naar aanleiding van deze highlight onderwijsrecht? Neemt u dan contact op met advocaat Trudy Spaans, E tspaans@verus.nl