Publicatiedatum: 11 maart 2021

Er is al langer een stille omwenteling gaande in het onderwijs. Onderwijs wordt sinds de jaren ’60 stelselmatig gerationaliseerd. In één citaat: ‘Wanneer de onderwijsfuncties en de onderwijsdoelen nauwkeuriger worden omschreven, als mede meer overeenstemming bereikt wordt over de hoeveelheid over te dragen leerstof én over de gebruikswaarde van de onderscheidene onderwijsmethoden en middelen neemt de mogelijkheid om rationele vormen van prestatie-meting in het onderwijs door te voeren toe.’ Dit zei onderwijskundige Velema in 1966.

Rationalisatie

Ook het onderwijsbestuur en het onderwijsbeleid werden gerationaliseerd. De invloedrijke beleidsman en hoogleraar Idenburg merkte in 1971 over ‘het schoolwezen’ op ‘dat het qua bestuur en beheer nog in het ambachtelijke stadium verkeert…‘ Rationalisatie, planning, strategie waren de trefwoorden. Dat zou het onderwijs uittillen boven levensbeschouwelijk particularisme en voor moderne ambachtelijkheid.

Deze rationalisering heeft ons waardevolle nieuwe inzichten opgeleverd, maar heeft het onderwijsgebouw ook scheefgetrokken. Er ontstond een zichzelf versterkende dynamiek van steeds meer en verfijndere doelen, een zelfstandig bouwwerk met zijn eigen richtinggevende kracht. De vrijheid van onderwijs werd steeds meer een ander woord voor de ruimte die overbleef, in plaats van de ideële krachten die het bestel ordenen.

Vrijheid van inrichting

Wie de brief van de bewindslieden leest over het Nationaal Onderwijsprogramma, zal tot de conclusie komen dat het rationaliseringsprogramma dat 50 jaar geleden in gang is gezet, zo ongeveer voltooid is. Er is de afgelopen tien jaar veel gesproken over beroepstrots en professionele ruimte, maar die ruimte mag niet groter zijn dan die van de aangereikte menukaart, met uitsluitend evidence-based gerechten. De keuken van de school is gesloten en geoutsourcet. Minister Slob koestert de vrijheid van onderwijs (en dat geloof ik), maar de vrijheid van inrichting wordt even buiten haken geplaatst. Naast het gebruikelijke toezichtinstrumentarium worden heel wat nieuwe instrumenten toegevoegd: Peil VO, de capaciteitentoets brugklas, de implementatiemonitor, de nulmeting, en het resultatenonderzoek. De impliciete, maar voelbare boodschap is: bestuurders (en in het verlengde daarvan toch eigenlijk ook mensen die voor de klas staan) zijn eigenlijk niet echt te vertrouwen. Heel jammer, juist nu het erop aankomt, en dat door een kabinet dat zelf heeft ervaren dat vertrouwen te voet komt en te paard gaat.

Verus pleit voor een herwaardering van het pedagogisch karakter van het onderwijs. Op het eerste gezicht is dat een vriendelijk appèl. ‘Er staat in het onderwijs meer op het spel dan wat tot stand komt op basis van investering en opbrengst, afspraak en resultaat. Let daarop.’ Maar ons appèl is ingrijpender. Het gaat niet alleen om het verbreden van de blik. Het gaat om ánders kijken en handelen.

  • Onderwijs is niet in de eerste plaats een zaak van productie, rationaliteit en infrastructuur, maar een geestelijke zaak. Althans, in de eeuwenlange, West-Europese traditie. In die traditie wordt kennis niet minder belangrijk, in tegendeel, maar wordt duidelijk waaraan die kennis zijn zin ontleent.
  • De coronacrisis brengt exemplarisch en geconcentreerd een aantal fundamentele problemen van onze samenleving aan het licht. Het (bijzonder) onderwijs heeft niet alleen een taak om de opgelopen achterstanden in te halen, maar ook de opgave om vanuit haar idealen en opvattingen, in en door het onderwijs te bouwen aan een andere samenleving. Een samenleving die niet obsessief de aarde exploiteert, noch alles uit leerlingen haalt, maar leeft vanuit een cultuur van eerbied en ontvankelijkheid.
  • Bijzonder -katholiek en christelijk- onderwijs is namelijk niet een speeltuin, een onschuldig extraatje naast of na de objectieve eisen van de zogenaamde onderwijs-infrastructuur. Haar opvattingen en idealen vormen het hart van het onderwijs. Zonder die opvattingen en idealen zou welke objectieve eis dan ook landen op dorre en onvruchtbare grond.

Kruispunt

Het onderwijs staat op een kruispunt. Of we rationaliseren door, zoals de brief doet, maar dan wordt elk pedagogisch en maatschappelijk engagement van onderop op voorhand beknot en gewantrouwd. Voor onze bestuurders en schoolleiders is meer ruimte, autonomie en vertrouwen de hoogste prioriteit bij de verkiezingen. Het gaat hun niet om de ruimte als zodanig. Men ambieert geen negatieve vrijheid - laat mij mijn gang gaan -, men wil positieve vrijheid. Vrijheid om te handelen naar de eisen van de situatie, naar het appèl van de leerling, naar de maatschappelijke uitdagingen die er liggen. Daarom is een herwaardering van het pedagogische hart van goed onderwijs noodzakelijk in verbinding met de opgaven van nu. Elke Verus-school ziet die. De prestaties zullen excellent zijn.

Gerelateerde berichten