Publicatiedatum: 25 augustus 2021

De Romeinse keizer Constantijn (280-337) had niet kunnen voorzien welke verstrekkende gevolgen zijn beslissingen zouden krijgen. Tijdens zijn regeerperiode ontstond het corpus christianum: een innig verbond tussen kerk en staat, dat eeuwenlang zou duren en de Europese cultuur diepgaand zou beïnvloeden. Dat innige verbond tussen kerk en staat wordt vandaag de dag steeds losser. De overeenkomsten met de seculiere eerste eeuwen van vóór Constantijn worden daardoor steeds sterker. Dit wordt volgens Kees Boele bijvoorbeeld zichtbaar in de toenemende onzekerheid en problemen rond de multiculturele samenleving, de maatschappelijke segregatie en de afnemende eenheid tussen kerk en staat. In zijn boek Van zuil naar zout verklaart hij dat hierdoor het fenomeen ‘christelijke school’ onder druk staat, onder andere zichtbaar in de steeds terugkerende discussies rondom de vrijheid van onderwijs en de bekostiging van christelijke scholen. Als christelijke scholen zouden verdwijnen, dan is dat volgens de auteur ‘betreurenswaardig, maar niet verbazingwekkend’.

Geen zuil, maar zout

Het brengt Kees Boele bij zijn centrale stelling. Zo zegt hij dat we door het einde van het corpus christianum de diepgewortelde christelijke neiging tot verbinding van geloof en culturele en politieke macht moeten loslaten. Dit betekent volgens Kees Boele dat zolang er in onze seculiere cultuur christelijke scholen blijven bestaan, we het christelijke daarvan niet moeten zoeken in het instituut school, maar vooral in de persoon van de christelijke docent. De nadruk komt wat hem betreft net als in de eerste eeuwen weer te liggen op kerkelijke catechese en de christelijke vorming thuis.

Zout is daarvoor een bruikbare metafoor: “Zout heeft invloed op de smaak van een gerecht, zoals Daniël erin slaagde tijdens zijn ballingschap een positieve geloofsidentiteit te beoefenen in een omgeving die hem daarin niet steunde.” In het Nederlands Dagblad zegt Kees Boele dat hij als voormalig bestuurder van een seculiere hogeschool bij christelijke docenten de positieve effecten van ‘zout-zijn’ heeft gezien. Met name het werk van Erasmus heeft hem de ogen hiervoor geopend. Voor Erasmus (en ongetwijfeld ook voor Kees Boele zelf) is de persoonlijke houding van de docent doorslaggevend of een boodschap overkomt. “In de genegenheid wek je belangstelling.” Daarom is de persoon van de christelijke docent voor hem ook zo cruciaal.

Relativering

Of het nu gaat om inhoud, relevantie, didactiek, rituelen en praktijken, populatie of grondslag: Kees Boele relativeert op vrijwel alle terreinen de betekenis van de christelijke school. Behalve op het terrein van de persoon van de christelijke docent. Nu is een bepaalde mate van zelfrelativering gezond, zeker als het gaat om de manier waarop een geloofsverklaring als grondslag van een school wordt ingezet. ‘Een belijdenis is geen stok om mee te slaan, maar een staf om mee te gaan,’ zo citeert hij de theoloog Oepke Noordmans. Toch blijft na het lezen van het prikkelende boek de vraag hangen of Kees Boele niet te positief is over de docent als persoon en niet te negatief over de school als instituut. Docenten zijn immers onderdeel van praktijken en instituties. Die bepalen voor een groot deel wat zij kunnen doen en hoe ze dat doen. Deze praktijken en instituties kunnen vormend, stimulerend en bezielend zijn, maar ook beknellend, verstikkend of geestdodend.

Didactiek als christelijke praktijk

Iemand die beide aspecten minder tegen elkaar uitspeelt, is David Smith. In zijn boek Geloven in onderwijs: didactiek als christelijke praktijk neemt hij het pedagogisch-didactisch handelen als uitgangspunt, zonder andere aspecten van het onderwijs te veronachtzamen. Smith vindt dat we voor christelijk onderwijs niet in blauwdrukken kunnen denken, maar wel aannemelijk kunnen maken dat er praktijken verschijnen die overeenkomen met christelijke waarden. Of onderwijs beter wordt, ligt eraan of docenten in staat zijn om in de schoolgemeenschap met elkaar op een andere manier te leren kijken.

Vrijheid voor onderwijs

Ook theoloog Erik Borgman maakt een andere beweging dan Kees Boele. In De school als bouwplaats erkent hij dat de vrijheid van onderwijs in Nederland ontstaan is doordat religieuze gemeenschappen zeggenschap wilden hebben over wat hun kinderen leren. Erik Borgman heeft echter de overtuiging dat christelijk onderwijs geen onderwijs is voor christenen, en niet als doel heeft een nieuwe generatie christenen voort te brengen. Christelijk onderwijs is voor iedereen die vertrouwen heeft in de wijze waarop dit onderwijs tot stand komt: vanuit een christelijke visie op mens, wereld en God. Hiermee houdt ook hij instituut en persoon bij elkaar. En iedereen die daarvan uitgaat, beschouwt de school als een goede bouwplaats van de samenleving.

Gerelateerde berichten