Publicatiedatum: 3 maart 2021

Met de term ‘goed geïnspireerd onderwijs’ verwijzen we naar een specifieke visie op onderwijskwaliteit. Zo denken we op de eerste plaats dat onderwijs meer is dan het faciliteren van leerprocessen: om van goed onderwijs te kunnen spreken moet er aandacht zijn voor persoonsvorming, socialisatie en kwalificatie vanuit een integrale benadering. Op de tweede plaats bepleiten we dat in de keuze en inrichting van onderwijspraktijken een visie op goed leven, goed samenleven en goed leren zichtbaar moet zijn om te kunnen spreken van kwaliteit. En op de derde plaats waarderen we de zichtbare en merkbare eigenheid van scholen als een maatschappelijk goed, dat voeding geeft aan onze pluriforme samenleving en ons democratisch bestel. Goed geïnspireerd onderwijs is onderwijs dat zelf- en omgevingsbewust vorm en inhoud geeft aan de vrijheden van stichting, richting en inrichting, die zijn vastgelegd in artikel 23 van de grondwet.

Het Nederlandse onderwijsbeleid beweegt zich momenteel tussen ruimte laten voor eigenheid enerzijds en regulering en uniformering anderzijds. De ruimte voor eigenheid komt onder andere terug in de wet ‘meer ruimte voor nieuwe scholen’. Maar ook in de inspectiekaders, onder de noemer ‘eigen aspecten van kwaliteit’ wordt scholen ruimte gelaten om hun eigenheid te tonen. Anderzijds betekent de Wet op Burgerschapsvorming een inbreuk op de vrijheid van inrichting. En de dominante aandacht voor kwalificatie in het inspectietoezicht en het benchmarken werken uniformering in de hand. In dit spanningsveld kiezen de verschillende politieke partijen in hun verkiezingsprogramma’s verschillende posities.

Artikel 23

Laten we eerst kijken naar artikel 23, dat de vrijheid van onderwijs borgt. Sinds de ophef rond de toelatingsverklaringen die sommige orthodox protestantse scholen aan ouders voorleggen, vormt artikel 23 opnieuw een hittepunt in het onderwijsdebat. CDA, ChristenUnie en SGP staan onverkort achter vrijheid van onderwijs zoals we die nu kennen, waarbij het CDA aantekent dat goed moet worden toegezien op de kwaliteitseisen. De christelijke partijen krijgen daarbij bijval van de seculiere PVV en FvD en van Denk. VVD, D66, GroenLinks, SP, PvdA en PvdD bepleiten allen een aanpassing van artikel 23, de één meer vergaand dan de ander.

Een terugkerend thema daarbij is dat bijzondere scholen een acceptatieplicht van leerlingen opgelegd moeten krijgen of in ieder geval geen leerlingen mogen weigeren op religieuze gronden, zorgbehoefte of inkomen van ouders. GroenLinks pleit ervoor dat voor het bijzonder onderwijs en het openbaar onderwijs dezelfde regels gaan gelden. Dat betekent volgens de partij dat de overheid toeziet op het waarborgen van kritisch denken en burgerschap op alle scholen, kinderen geen ontheffing van de leerplicht kunnen krijgen op grond van een geloofsovertuiging en dat scholen geen leraren en leerlingen mogen weigeren op basis van hun identiteit. Hiermee komt de vrijheid van inrichting in het gedrang.

Pedagogische opdracht

Vervolgens is het interessant welke partijen de pedagogische opdracht van het onderwijs serieus nemen. Dat begint met het agenderen van persoonsvorming als één van de kwaliteiten van goed onderwijs. SGP en ChristenUnie staan een christelijke visie op onderwijs voor en de vorming van het kind hoort daar als vanzelfsprekend bij. Zij vragen expliciet meer aandacht voor vorming. Daarin vinden zij bijval van D66, PvdA, PvdD en Denk, overigens zonder dat de onderliggende motieven gelijk hoeven zijn. De partijen die meer aandacht bepleiten voor persoonsvorming, verbinden hier allen systemische consequenties aan. Genoemd worden horizontaal toezicht, het behoud van de lumpsum financiering en minder bureaucratie. Samenvattend: condities die scholen meer speelruimte geven om werk te maken van de pedagogische opdracht.

Ontwikkelruimte voor leraren

Tenslotte nog een blik op de professionals die de pedagogische opdracht waar moeten maken. De kern van de pedagogische ruimte zit immers in de relatie tussen de leerling en leraar. Aangezien scholen ook in de komende jaren geconfronteerd zullen worden met een lerarentekort, is naast structurele investeringen en regionaal maatwerk ook inzet nodig om de professionele, pedagogische ruimte te versterken. Gelukkig staan vrijwel alle partijen voor meer ontwikkelruimte voor leraren, óók partijen die vorming niet noemen als een kwaliteit van goed onderwijs zoals VVD, PVV, CDA en GroenLinks. Hier valt op dat de SGP zich niet uitspreekt. Daarnaast noemt een aantal partijen de kwaliteit van de lerarenopleidingen een aandachtspunt. Op dit punt vinden CDA en ChristenUnie elkaar, maar ook VVD, D66 en PvdA.

Het ondergeschoven kind in de partijprogramma’s zijn de schoolleiders. Alleen CU, D66, CDA en PvdA benadrukken dat meer in schoolleiders moet worden geïnvesteerd. Verus juicht het ondersteunen van schoolleiders in het ontwikkelen van pedagogisch leiderschap toe.

Welke partijen na 17 maart de regering gaan vormen, is bepalend voor mogelijkheden van de sector om goed geïnspireerd onderwijs te verzorgen. Maar wat de uitkomst ook is, Verus zal zich ervoor blijven inspannen dat scholen vanuit hun eigenheid en diversiteit invulling kunnen geven aan wat zij als hun pedagogische en maatschappelijke opdracht verstaan.

Gerelateerde berichten