Publicatiedatum: 22 december 2021

In de eerste plaats zijn er bestuurlijke redenen. Het regeerakkoord zet in op het versterken van de kwaliteit, om de basis op orde te krijgen. Daartoe wil het de kwaliteit van de lerarenopleidingen versterken, ‘met aandacht voor effectieve vakdidactiek…’ Daarnaast stelt het nieuwe kabinet hogere eisen aan de resultaten die de scholen moeten behalen. De lat moet omhoog. De eisen worden verduidelijkt en aangescherpt. Met andere woorden: zowel aan de voorkant als aan de achterkant van het onderwijsproces gaat de lat omhoog en wordt de overheid strenger.

Professionaliteit van de leerkracht

De vraag rijst waarom dan ook nog nieuwe en diep ingrijpende eisen gesteld moeten worden aan de inrichting van het onderwijs, het primair proces zelf. Het lijkt alsof het nieuwe kabinet er niet zeker van is, dat de strengere eisen aan de lerarenopleidingen en aan de resultaten voldoende zijn. En blijkbaar durft men er niet op te vertrouwen dat scholen juist gemotiveerd zijn om ‘back to basics’ te gaan. Wat is precies het motief om het gehele onderwijsproces op dit microniveau te willen beheersen? Wat rechtvaardigt dat de overheid op de plek van de leerkracht gaat zitten? Is dat effectief? Is dat proportioneel? Zou een analyse niet op zijn plaats zijn? Twintig jaar streven naar topposities in internationale benchmarks, terwijl de basisvaardigheden afnamen, hoe was dat mogelijk? Toch niet (alleen) omdat te weinig zogenaamde evidence based methoden werden gebruikt? En hoe verhoudt dit voornemen zich tot de lofzang van de afgelopen tien jaar op de professionaliteit van de leerkracht? Er lijkt een zeker wantrouwen in het spel te zijn.

Er is ook een principiële reden voor discussie en bezinning. De keuze van methodes raakt de vrijheid van inrichting, hart van de vrijheid van onderwijs. Die vrijheid is niet (alleen) een abstract staatsrechtelijk leerstuk, maar houdt in dat de docent in de concrete situatie -met déze kinderen- de vrijheid heeft, binnen de grenzen van de wet, om te doen wat hem/haar goed dunkt. Het is de vrijheid om antwoord te geven op de eisen die de werkelijkheid van zijn/haar klaslokaal stelt. Lesgeven is geen kwestie van kiezen uit een catalogus. Het voltrekt zich in het leven zelf. De verworven vakkennis en het bereikte inzicht in methodes moet worden verbonden met de levens van jonge mensen van vlees en bloed. ‘Waartoe dient mijn onderwijs?’ is dan de belangrijkste vraag. Het ‘hoe’ moet daarom dienstbaar zijn aan het ‘waartoe’. Ik kan het ook anders zeggen: wat effectief is, wordt beslist in het concrete leven, niet in de wetenschap.

Er zijn goede redenen om een kritisch gesprek te hebben met de nieuwe minister over deze norm van evidence based werken. Nog belangrijker is dat deze open is over het voelbare wantrouwen. Alleen dan is er een kans op faire bestuurlijke verhoudingen.

Gerelateerde berichten