U bent hier

Welk probleem lost het enkele-feitwetsvoorstel op?

Welk probleem lost dit wetsvoorstel op? Dat is de belangrijkste vraag van de christelijke partijen in de Tweede Kamer over het nieuwe wetsvoorstel dat de enkele-feitconstructie schrapt. Maar er zijn meer vragen, bijvoorbeeld over de zin van het onderschrijven van de grondslag van de school door leerkrachten. En het al dan niet uithollen van het ene grondrecht ten faveure van het andere.

Wat vooraf ging
In september 2010 dienden VVD, PvdA, SP, D66 en GL een initiatiefwetsvoorstel in dat de enkele-feitconstructie schrapt uit de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). De Awgb verbiedt onder andere het maken van onderscheid tussen personen in werksituaties en is daarom van belang voor het benoemingsbeleid van scholen. De Raad van State  liet weinig heel van het wetsvoorstel.

Begin mei 2013 kwamen genoemde partijen vervolgens met een totaal nieuw wetsvoorstel. Met de belangrijkste kritiek van de Raad van State, namelijk dat het wetsvoorstel een belangrijke verschuiving betekent in de 'grondrechtenbalans' ten nadele van artikel 6 (vrijheid van godsdienst) en 23 (vrijheid van onderwijs), doen de indieners echter niets. Sterker, zij zijn van mening dat de "maatschappelijke en juridische ontwikkelingen" een beperking van de vrijheid van onderwijs en godsdienst rechtvaardigen.

Wat houdt het nieuwe wetsvoorstel in?
Volgens de indieners van het wetsvoorstel leidt de huidige formulering en toepassing van de Awgb, waarbij het begrip 'bijkomende omstandigheden' een belangrijke rol speelt, tot problemen en veel rechtsonzekerheid voor werknemers. Met name homoseksuele leraren in het bijzonder onderwijs zijn volgens hen het slachtoffer. Het aangepaste wetsvoorstel neemt de Europese richtlijn 2000/78/EG over gelijke behandeling als uitgangspunt. De gronden waarop onderscheid gemaakt mag worden, worden beperkt tot godsdienst, levensovertuiging en politieke gezindheid.

Waar de huidige wet ruimte laat om, wanneer er bijkomende omstandigheden zijn, onderscheid te maken op basis van ras, geslacht, nationaliteit, seksuele gerichtheid en burgerlijke staat, stellen de indieners dat dit wat hen betreft, ook als dat onderscheid voortvloeit uit bijvoorbeeld godsdienstige overtuiging, voortaan verboden is.

Zij willen in de wet geen verwijzing meer naar (on)gewenst gedrag van medewerkers (ook in de privésfeer). Zij doen dit door de zinsnede dat scholen eisen mogen stellen “die nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag” uit de wet te verwijderen. Wat hen betreft wordt eventueel ongewenst gedrag getoetst via het begrip 'goed werknemer' uit het arbeidsrecht. Waarbij, zo merken zij op, wel de aangepaste Awgb in acht moet worden genomen.

Het wetsvoorstel heeft overigens niet alleen betrekking op scholen, maar ook op andere organisaties met een godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke grondslag, op werkgevers- en werknemersorganisaties en op het aannamebeleid van leerlingen van scholen. Van het laatste zeggen de indieners dat ze deze “problematiek” behoudens de aanpassing m.b.t. de enkele-feitconstructie nu ongemoeid laten. Ze wijzen daarbij op het initiatiefwetsvoorstel m.b.t. de acceptatieplicht dat beoogt dit lid in z’n geheel te laten vervallen.

Een stap verder
Vorige maand kon de Tweede Kamer schriftelijk reageren op het wetsvoorstel. Zoals verwacht tonen de partijen die het voorstel indienen zich verheugd over het voorstel. Zij gaan hier en daar wel uit van onjuiste aannames. Zo stelt de SP dat scholen op dit moment docenten kunnen ontslaan omdat ze uitkomen voor hun homoseksualiteit. Dit klopt feitelijk niet. En de PvdA merkt op dat het wetsvoorstel de grondrechtenbalans niet aantast. Ook dat is onjuist.

Verder stellen de indienende partijen enkele vragen die de indruk wekken dat zij nog wel een stap verder willen gaan dan het wetsvoorstel doet. Zo wil de SP weten waarom kerken niet worden aangepakt.

De omvang van het probleem
Veruit de meeste vragen en opmerkingen zijn afkomstig van CDA, ChristenUnie en SGP. Zij zijn buitengewoon kritisch. Ze zetten vraagtekens bij de omvang van het probleem en de rechtsongelijkheid voor homoseksuele leerkrachten die de indieners schetsen en wijzen daarbij op het geringe aantal zaken dat de afgelopen 20 jaar heeft gespeeld.

Bovendien stellen ze dat in het beperkt aantal zaken dat heeft gespeeld de scholen meestal in het ongelijk werden gesteld. Het CDA: "Is niet eerder het probleem dat het blijkbaar niet nodig was om rechtszaken aan te spannen, dan dat er sprake zou zijn van rechtsonzekerheid?”. De partij daagt de indienende partijen uit om voorbeelden te geven waaruit de door hen veronderstelde rechtsonzekerheid blijkt.

Concrete voorbeelden
De christelijke partijen zetten verder vraagtekens bij de duidelijkheid die het wetsvoorstel zou gaan bieden. De SGP vindt "dat het voorstel meer onduidelijkheid oproept dan het zou oplossen". Het CDA vraagt de initiatiefnemers aan te geven “wat nu precies de verschillen in de praktijk zullen zijn als het voorstel wordt aangenomen. Is het niet zo dat de enkele feitconstructie precies hetzelfde beoogt…”. De partijen vragen op verschillende punten om concrete voorbeelden van wat de indieners beogen. Overigens vindt ook D66 het niet erg duidelijk. Deze partij vraagt of de indieners nog eens uiteen kunnen zetten in welke opzichten het wetsvoorstel de duidelijkheid vergroot.

De grondslag onderschrijven
Specifiek bestaat er bij verschillende partijen onduidelijkheid over de vraag of scholen nog van hun leerkrachten mogen vragen dat zij de grondslag onderschrijven. Volgens de indieners is dit wel het geval, mits er daarbij geen (indirect) onderscheid gemaakt wordt op andere gronden dan godsdienst, levensovertuiging of politieke gezindheid. Dit laatste roept weer onduidelijkheid op. De SGP vraagt “of scholen van hun personeel mogen verlangen dat zij de grondslag van de instelling onderschrijven en in hun lessen zullen onderwijzen in overeenstemming met die grondslag?”.

De VVD stelt dat de initiatiefnemers beogen “met het voorstel te bewerkstelligen dat van werknemers niet langer gevraagd kan worden om de grondslag van hun school of instelling geheel te onderschrijven, zelfs tot het privéleven aan toe, omdat een dergelijke eis een te grote inbreuk zou vormen op de persoonlijke vrijheden va het individu.” Maar, zo vraagt men, regelt het wetsvoorstel dit nu wel? D66 vraagt of het vragen de grondslag te onderschrijven nog wel van deze tijd is en of dit niet via de wet uitgesloten moet worden.

De Europese richtlijn
Het beroep dat de indieners doen op de Europese richtlijn overtuigt het CDA de ChristenUnie en de SGP niet. Ze wijzen op de selectieve manier waarop in het wetsvoorstel met deze richtlijn wordt omgegaan. De richtlijn biedt namelijk de ruimte aan organisaties met een grondslag die gebaseerd is op godsdienst of levensovertuiging van werknemers een houding van goede trouw en de loyaliteit aan die grondslag te eisen. Dit element is niet overgenomen in het wetsvoorstel. De genoemde partijen willen weten waarom niet.

Bovendien wil ‘Europa’ wel dat haar richtlijn wordt overgenomen, maar stelt ze nergens dat de vrijheid van onderwijs of godsdienst ingeperkt moet worden zoals met het wetsvoorstel gebeurt. Integendeel, de richtlijn laat expliciet ruimte voor nationale grondwettelijke bepalingen.

Nevengeschikte grondrechten
Voor wat betreft de grondrechten stelt het CDA dat deze in Nederland nevengeschikt zijn. Deze partij wil weten wat de verschuiving in balans ten gunste van artikel 1 rechtvaardigt. Met de SGP wijst ze op de waarborgfunctie van de grondrechten en wil zij weten of de indieners ook niet vinden dat het de essentie van een democratie is dat weliswaar bij meerderheid wordt besloten, maar dat de meerderheid rekening moet houden met de positie van minderheden en deze ook moet beschermen?

De SGP: “Vergt juist de nevenschikking van de in de Grondwet genoemde grondrechten niet uiterste terughoudendheid om het ene grondrecht uit te hollen door een ander grondrecht vergaand voorop te stellen, zodat het er daadwerkelijk een scheve verhouding ontstaat tussen de grondrechten?”

Leerkrachten en keuzevrijheid
De christelijke partijen wijzen op het recht van ouders de school te kiezen die bij hun levensovertuiging past en op het belang dat leerkrachten de uitgangspunten van de school delen en herkenbaar in de praktijk brengen. “Kunnen docenten die deze waarden niet delen wel geacht worden op een geloofwaardige en voor leerlingen herkenbare manier invulling geven aan de identiteit van de school?”

De ChristenUnie tenslotte constateert dat het wetsvoorstel en de memorie van toelichting aanzienlijk zijn gewijzigd ten opzichte van het eerdere voorstel. Zij vraagt of de indieners daarom over het herschreven wetsvoorstel opnieuw het advies van de Raad van State willen vragen “juist om zekerheid te verkrijgen over de juiste implementatie van richtlijn 2000/78/EG.”

De leerkracht is identiteitsdrager
De Besturenraad onderschrijft de kritische vragen. Ouders hebben het recht om hun kinderen op te voeden op een manier die past bij hun godsdienst of levensovertuiging. De school speelt bij de opvoeding een belangrijke rol. Daarom is het van wezenlijk belang (en ook een Europees recht) dat ouders vrij zijn een school te kiezen die past bij hun godsdienst of levensovertuiging. En de school moet vervolgens de ruimte hebben om haar uitgangspunten, verwoord in haar grondslag, over te dragen.

Dit kan alleen geloofwaardig gebeuren als de leerkrachten (de identiteitdragers) die uitgangspunten niet alleen mondeling onderschrijven, maar ook in hun leven uitdragen. Dit moet een school dan ook kunnen vragen. Dat hierbij spanningen kunnen optreden met de individuele vrijheden van leerkrachten is duidelijk. Het is van groot belang dat, wanneer een school constateert dat een leerkracht mogelijk niet meer in staat is de grondslag op een geloofwaardige manier uit te dragen, hierover een open gesprek aangegaan wordt waarbij respect voor verschil in opvattingen het uitgangspunt is.

Naar de Raad van State
Het is belangrijk dat de balans tussen de grondrechten behouden blijft. Het wetsvoorstel beoogt hier, hoewel de precieze praktische consequenties ervan niet geheel duidelijk zijn, afbreuk aan te doen. Wat de Besturenraad betreft wordt het wetsvoorstel opnieuw aan de Raad van State voorgelegd.

De Raad van State heeft twee tekstvoorstellen gedaan die voldoen aan de Europese richtlijn en die de grondrechtenbalans wèl handhaven. Variant A (blz 13 van het advies van de Raad) sluit aan bij de tekst van de richtlijn. De Besturenraad is voorstander van het opnemen van deze formulering in de Awgb.

WO | HBO | MBO | PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs