U bent hier

Wat doen we met de lumpsum?

Dat is de vraag die de Commissie OCW in de Tweede Kamer zich stelt. Deze week organiseerde de Commissie een hoorzitting waarin drie deskundigen hun visie mochten geven op de voors en tegens van de lumpsumbekostiging. Verus was aanwezig om de discussie te volgen.

Achtergrond

In oktober 2015 diende VVD-Kamerlid Duisenberg een motie in waarin de Kamer aan de regering vroeg ‘meerdere alternatieven voor of naast de lumpsum te ontwikkelen waarbij publieke middelen, in het bijzonder middelen die een specifiek doel beogen, heldere doelstellingen krijgen en de voortgang inzichtelijk wordt’. In die motie werd verwezen naar een monitor die door de Algemene Rekenkamer was opgesteld om de extra investeringen in het onderwijs te kunnen volgen. 

Daarmee zou de Kamer een beeld krijgen wat er met dat extra geld in het onderwijs was gebeurd. De kritiek van de Rekenkamer was dat op grond van de huidige manier van verantwoorden niet kan worden vastgesteld of schoolbesturen extra geld hebben besteed en waaraan.

Internetconsultatie

De Commissie OCW heeft van de vraag naar de toekomst van de lumpsum een belangrijk kennisproject gemaakt om zelf ook te leren. In dat verband werd in oktober 2017 een internetconsultatie gehouden over de lumpsumbekostiging. Ook Verus stuurde een reactie in waarin nadrukkelijk wordt gepleit voor behoud van de lumpsumbekostiging met erkenning dat er altijd verbeteringen mogelijk zijn. Die verbeteringen zitten wat Verus betreft op het gebied van deskundigheidsbevordering en verantwoording. De staf van de Tweede kamer bundelde de reacties in een notitie.

Wat vinden de deskundigen

Deze week dus een hoorzitting over dit onderwerp. Prof. dr. Edith Hooge (hoogleraar TIAS Governance Lab), prof. dr. Jos Blank (Institute for Public Sector Efficiency Studies) en dr. Marc Spierings (afdelingshoofd directie Rekenschap & Juridische Zaken onderwijsinspectie) schoven aan. 

Zowel Edith Hooge als Jos Blank hadden een position paper voorbereid. In haar bijdrage gaf Edith Hooge aan dat het systeem van bekostiging, wetgeving en extern toezicht zoals we dat nu kennen een belangrijk deel van het antwoord is op de constateringen van de Algemene Rekenkamer en van de Motie Duisenberg c.s. in 2015 over de koppeling tussen publieke middelen voor onderwijs en realisatie van de beleidsdoelen. 

Overheid ondermijnt lumpsumfinanciering

Uit internationaal onderzoek komt verder naar voren dat het stelsel dat Nederland kent een belangrijke voorwaarde is voor goed onderwijs. Maar als het gaat om specifieke doelen stapt de overheid vaak weer af van haar besturingsfilosofie en gaat ze op de stoel zitten van bestuurders, schoolleiders of docenten. Dat is wat haar betreft een slechte zaak omdat deze vormen van specifieke financiering de lumpsumfinanciering ondermijnen omdat ze de eigen koers en vrije besteding van onderwijsinstellingen aan banden leggen of doorkruisen, en vaak zorgen voor extra administratieve lasten. 

Funderend onderwijs slecht presterende overheidssector

Jos Blank vroeg zich af wat het probleem was wat hier aan de orde was. Hij gaf aan dat er voldoende informatie beschikbaar is om na te gaan wat er met de publieke middelen gebeurt, maar dat die informatie wel beter beschikbaar moet zijn. Wel waarschuwde hij voor de zeer geringe productiviteitsontwikkeling in het onderwijs. Het po en vo behoren volgens hem samen met de politie en de rechtspraak tot de slechtst presterende overheidssectoren. Een ander punt betrof de schaalvergroting. Er is volgens Blank een optimale schaal in het onderwijs. Hier en daar is de schaal dit optimum voorbij. Er is er sprake van schaalnadelen.

Er gaat juist heel veel goed

Ook volgens Marc Spierings is er geen probleem. Er gaat juist heel veel goed. Slechts een beperkt aantal schoolbesturen staat onder verscherpt toezicht. De inspectie ontmoet juist veel bevlogen besturen die (vaak onbezoldigd) hun uiterste best doen om goed onderwijs te realiseren.  

Tegen prestatiebekostiging

Edith Hooge hield een hartstochtelijk pleidooi tegen prestatiebekostiging. Volgens haar wordt onderwijs door bestuurskundigen aangeduid als ‘een relationeel goed, waarvan de kwaliteit tot stand komt in relaties en interacties tussen volwassenen en kinderen, en die afhankelijk is van zeer verschillende percepties op, en opvattingen over, kwaliteit’. Onderwijskwaliteit is daarmee multidimensionaal en de verantwoording erover ook. 

Om die reden is het volgens Hooge niet erg zinvol om prestatieafhankelijke bekostiging te gaan hanteren voor onderwijs, via welke bekostigingssystematiek dan ook: de ‘logica’ van prestatiesturing past het onderwijs niet. Ongewenste perverse effecten zullen de mogelijk positieve effecten ervan op korte termijn altijd verdringen, aldus Edith Hooge. 

Royale verantwoording 

Een thema dat bij alle sprekers terugkwam was de verantwoording. Die kan royaler en eerlijker. Daarmee wordt bedoeld dat in het verslag beter in beeld komt wat de speerpunten van het beleid zijn en waar dus extra middelen naar toe gaan en welke onderwerpen wat minder aandacht krijgen. Het kan niet zo zijn, zei een van de sprekers, dat een schoolorganisatie alle onderwerpen even intensief behandelt. Breng de keuzes helder in beeld, geef aan wat lukt en geef ook aan wat niet lukt. 

Reactie Verus

De opmerkingen die door de deskundigen zijn gemaakt komen opmerkelijk goed overeen met de reactie van Verus bij de internetconsultatie over de lumpsumbekostiging.

PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs