U bent hier

Vrijheid van onderwijs belangrijk thema in deze kabinetsperiode

Als het debat over de begroting 2013 van OCW één ding heeft duidelijk gemaakt is het wel dat artikel 23 van de Grondwet in deze kabinetsperiode hoog op de agenda staat. Bij diverse onderwerpen kwam de grondwettelijke onderwijsvrijheid nu al aan de orde: bij het besturen van scholen, bij het vervoer van signatuurleerlingen, bij de homoseksuele docent.

In de eerste ronde van het debat lichtte minister van Onderwijs Bussemaker (PvdA) een tipje van de sluier over het kabinet in dit dossier staat. Er is de erkenning dat artikel 23 van de Grondwet een heel belangrijk artikel is in de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs. “En dat willen we respecteren”, aldus minister Bussemaker tijdens het begrotingsdebat. Maar ze voegde er in een adem aan toe dat het geen excuus kan zijn om niet te voldoen aan kwaliteits- en bestuursvormen.

Het onderwerp van de grondwettelijke onderwijsvrijheid kwam ter sprake bij de affaire Amarantis en het vervoer van zogeheten signatuurleerlingen. In de kwestie Amarantis speelt de vraag - opgeworpen door de onderzoekscommissie – of er aan de bestuurders niet teveel vertrouwen is gegeven, mede vanuit artikel 23.

Zou de overheid niet meer voorwaarden mogen stellen aan de kwaliteit van bestuurders en toezichthouders, zo vroegen diverse Kamerleden zich af. Bussemaker onderschreef dat bij Amarantis die potentiële spanning er is. ”Daar kies ik wel positie”. Maar ging daar nog niet verder op in. Dat komt in een latere discussie aan de orde.

Vertrouwen
De minister onderstreepte in het debat dat ze ‘vertrouwen wil geven aan scholen die het verdienen en ik wil dicht bovenop instellingen zitten die dat vertrouwen niet verdienen. Het laatste doe ik liever vooraf dan achteraf’.

GroenLinks Tweede Kamerlid Klaver benadrukte het belang van artikel 23, maar was ook kritisch: ‘de vrijheid van onderwijs is bedoeld als de vrijheid om een school te stichten, de vrijheid om de didactiek te kiezen die past bij je levensovertuiging en de vrijheid om inhoud te geven aan het onderwijs. Het gaat dus niet om de vrijheid om zelf de bedrijfsvoering te kiezen die je wilt’.

Bisschop (SGP) liet in het debat merken het maar niets te vinden dat er telkens een link wordt gelegd tussen bedrijfsvoering van scholen en artikel 23. “Op deze wijze wordt op zijn minst de schijn gewekt dat artikel 23 een soort schaamlap is die door bijzondere scholen gebruikt wordt om dingen onder het tapijt te vegen.”

In de tweede ronde van het debat kruisten de diverse woordvoerders uitvoerig de degens over de reikwijdte van de onderwijsvrijheid. Onder meer met als inzet van het subsidiëren van vervoer van leerlingen die buiten hun eigen woonplaats naar een school gaan met een grondslag die past bij hun godsdienstige overtuiging. Er gaan stemmen op om die subsidie op te heffen.

Motie christelijke partijen
ChristenUnie, CDA en SGP dienden een motie waarin ze vragen eerst een juridische toets te laten doen door de Raad van State, alvorens met een eventueel voorstel te komen om de regels voor het leerlingenvervoer aan te passen. Uit artikel 23 vloeit voort dat ouders het recht hebben om een school te kiezen die aansluit bij hun overtuiging. En daaruit volgt dat de overheid bijdraagt in de kosten van leerlingvervoer, aldus deze partijen.

Op die manier kunnen keuzes ook daadwerkelijk gemaakt worden. Of deze motie op een meerderheid kan rekenen moet nog blijken. De Kamerfracties van VVD en PvdA hebben al te kennen gegeven de regeling op de helling te willen zetten.

In het debat kwamen er ook kritische vragen van andere partijen richting ChristenUnie, CDA en SGP. Klaver (GroenLinks) betoogde onder meer dat artikel 23 gaat over de bekostiging van bijzonder onderwijs, niet over het compenseren van vervoerskosten.

Voordewind (ChristenUnie): “Als je artikel 23 serieus wilt nemen, moet je ook de ouders in staat stellen om het onderwijs dat zij dierbaar vinden voor hun kinderen, toegankelijk te houden voor die kinderen.” In antwoord op een vraag van Bisschop (SGP) zei Voordewind dat artikel 23 er niet exclusief is voor christelijke scholen maar ook voor ouders die andere keuzes maken. “Dat kunnen pedagogische keuzes zijn of een andere levensovertuiging”.

Het kabinet gaat nu bekijken of de regeling voor het leerlingenvervoer moet worden aangepast. Gebruikelijk is dat een advies aan de Raad van State wordt gevraagd. Maar het gaat staatssecretaris te ver om dat al op voorhand vast te leggen. Hij ontraadde daarom de motie van Voordewind. Die zei namens de mede-indieners daarom de motie aan te houden, in afwachting van een nader voorstel.

Enkelefeitprincipe
In het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet nog met een algemeen standpunt komt over homo-emancipatie. De minister van Onderwijs gaf, daartoe uitgedaagd door Van Dijk (SP), in het debat aan hoe zij staat tegenover de positie van de homoseksuele leraar in het bijzonder onderwijs. Het enkelefeitprincipe is voor het kabinet leidend.

‘Laat duidelijk zijn dat ik vind dat homo’s en hetero’s gelijk behandeld moeten worden. Dat betekent ook dat je moet kunnen laten blijken wie je bent. Maar uiteindelijk vraagt het altijd om maatwerk en een goed gesprek. Ik ben terughoudend om daarover in een algemeen visieverhaal heel dwingende uitspraken te doen. Uiteindelijk moet het wel passen in de cultuur van de school’.

 

WO | HBO | MBO | PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs