U bent hier

Verus begint discussie: onbehagen in onderwijs vraagt om andere betekenis van onderwijsvrijheid

Wat als vangnet was bedoeld voor kinderen die buiten de boot dreigen te vallen, is haast ongemerkt een algeheel systeem geworden. Een systeem waarbinnen al in de eerste levensjaren op schoolse vaardigheden wordt gelet. Alsof de ontwikkeling van ieder kind en iedere jongere onder controle moet worden gebracht. Het lijkt wel alsof ieder afzonderlijk op een eigen spoor naar de toekomst moet worden gezet – in hoge mate dezelfde toekomst met alleen verschil in de mate waarin dat bij leerlingen lukt. Intussen zijn er crisisverschijnselen, met name het tekort aan leraren, de werkdruk en het permanente wantrouwen tussen de overheid en het onderwijsveld. Er is veel negatieve berichtgeving. Wat is hier gaande?

Verus is bezig geweest om de situatie van het onderwijs in kaart te brengen en zocht de ondersteuning van Berend Kamphuis en Erik Borgman. Beiden zijn nauw betrokken, de eerste als ervaren schoolbestuurder, de tweede als een origineel denker. Tijdens twee bijeenkomsten hebben zij hun licht laten schijnen. Zij hadden een ontmoeting met de toezichthouders van het bestuur van Verus en de tweede bijeenkomst was de Algemene Ledenvergadering van Verus, eind november.

Stuur uit handen gegeven

Erik Borgman vertelt dat ook hij aan een systeem is onderworpen. De universiteit waar hij aan verbonden is, hanteert 61 principes, regels voor het doen van integer wetenschappelijk onderzoek. Tezamen zijn ze een systeem dat pretendeert wetenschappelijk onderzoek te definiëren en te waarborgen. De wetenschapper als risicofactor in plaats van als pionier van nieuwe kennis.

Het voorbeeld brengt hem bij de vraag waar de besturing van organisaties, zoals universiteiten en scholen, ‘moet zitten’ – wezenlijk gezien. Moet sturing extern worden ingebracht, afkomstig van systemen of van de overheid bijvoorbeeld? Of ontstaat sturing intern?

Borgman stelt dat sturing in het onderwijs zelf ontstaat. Dit heeft met de aard van onderwijs te maken. Onderwijs is bedoeld om jongeren in pedagogische zin op weg te helpen naar de toekomst en in te spelen op hun mogelijkheden daartoe. Zo ontstaat er beweging, wordt onderwijs mogelijk en is er besef van sturing. Andere besturing, die extern wordt geconstrueerd en deze interne sturing doorkruist, wijst hij af. De externe besturing noemt hij een format dat niet klopt met het eigen werk van leraren, schoolleiders en bestuurders.

Dit begrip van bedoeling, werking en (interne) sturing van onderwijs verbindt Borgman met de vrijheid van onderwijs en met de reden van Verus’ bestaan. Iedereen is voor onderwijsvrijheid, constateert hij, maar dat komt omdat deze vrijheid intussen feitelijk is weggeven. Net zoals de omroepen – er zijn omroeporganisaties, maar de netcoördinatoren zijn de baas – wordt het onderwijs genationaliseerd en wij laten dat gebeuren, stelt hij. Borgman roept het onderwijs op zijn eigen veld weer terug te nemen.

Hij raadt aan eerst maar eens een onderscheid te maken tussen ‘hoe’ en ‘wat’. We praten heel veel over ‘hoe’, maar te weinig over ‘wat’. Wat is onderwijsvrijheid eigenlijk? Waarom zou ze moeten worden verdedigd? Wat moet met onderwijsvrijheid gedaan worden als wij over de behoeften van jongeren nadenken en wat moet Verus in dit kader doen en waarom dan?

Controledruk

De huidige onderwijssituatie heeft een negatieve kant, maar daar kan iets positiefs tegenover worden gezet, aldus Borgman. Negatief vindt hij de systemische werking in het onderwijs en de grote dreiging dat scholen wel tegenstribbelen, maar toch gewoon doen wat ze gevraagd wordt, in de hoop op beter. Het systeem komt neer op een format dat, zoals gezegd, niet klopt met het eigen werk. Het is een controleformat, dat overigens moeilijk is aan te pakken. De beregeling van het systeem lijkt immers neutraal te zijn, haar inhoudelijkheid is niet zichtbaar. Hij noemt dit het raadsel van de moderniteit: haar systemen lijken zonder ideologie en dogmatiek te zijn. We hebben ze omarmd in de verwachting dat ze ons beter laten doen wat we willen doen. Maar vervolgens maken ze bepaalde dingen mogelijk en logisch, en andere dingen niet. De schijnbaar neutrale vorm blijkt wel degelijk een inhoud te hebben gehad!

Daar zitten we nu – met veel onbehagen. Dat onbehagen moeten we serieus nemen en we moeten beginnen met praten over wat we wel willen, verlangen en hopen. Precies dit kan een positieve keer zijn in het grote onbehagen dat wordt gevoeld. Verus moet beginnen met praten, aldus Borgman, maar niet als een belangenorganisatie. Verus is van de onderwijsvrijheid, begin daar dan over, zwengel het debat daarover aan, vervolgt Borgman en hij geeft daarvan een voorproefje.

Doen wat nodig is

Waarvoor is ‘vrijheid’ bedoeld? Zie haar als een intrinsieke waarde. Zie haar als een ruimte om de bedoeling van onderwijs te laten zien en mechanische opvattingen omtrent ontwikkeling van kinderen en onderwijs buiten de deur te houden. Ontwikkel als school een andere visie op ontwikkeling: kinderen moeten leren hun roeping te verstaan. Zij moeten ontdekken wat van ze gevraagd wordt en hoe zij – niet iemand anders, niet iedereen, maar zijzelf – daarop in kunnen en moeten gaan.

De school is ervoor om een verbindende visie te hebben op de bedoeling van onderwijs. Maar besef dat die bedoeling in het onderwijs elke dag wordt aangereikt door de kinderen. Zij belichamen de bedoeling, vragen naar de bedoeling, vragen om hulp bij het vinden en realiseren van hun bedoeling.

Zo’n visie komt neer op: verantwoord doen wat nodig is, trouw aan de intrinsieke bedoeling van onderwijs, in plaats van doen wat is voorgeschreven. Trouw zijn vanuit een fundamentele visie op wat mensen zijn, wat goede mensen zijn: mensen die steeds opnieuw hun roeping verstaan.

Bezie in onze situatie onderwijsvrijheid dus niet op de klassiek geworden manier: als mogelijkheid om onze (groeps)waarden te vertalen in een programma waar wij onderwijs op enten. Het is een manier geweest om onderwijsvrijheid te gebruiken, die mogelijk was vanwege het liberaal-confessionele compromis ten tijde van de tweede helft van de 19e eeuw. Dit is de liberale visie: vrijheid als keuzevrijheid, in dit geval de vrijheid waarden te kiezen.  

Borgman kijkt vanuit zijn theologisch perspectief fundamenteel anders naar waarden. Ze zijn bestanddelen van de samenleving. Waarden hoeven niet te worden ingebracht. Waarden zijn er al en wij ontvangen ze van elkaar, herkennen ze in elkaar. Daar heeft God ze neergelegd: in mensen die geschapen zijn naar zijn beeld en in andere schepselen die zijn goedheid tonen Intrinsieke vrijheid betekent vrij zijn deze waarden te erkennen en erop in te spelen, niet voor 10% maar voor de volle 100%. Dit is Borgmans kernpunt als het om het begrip van onderwijsvrijheid gaat. Het is zijn fundamentele visie op onderwijsvrijheid, die door hem dus niet als een voorwaarde wordt opgevat om vervolgens op basis van onze eigen visie het onderwijs vorm te geven.

Zal deze betekenis van onderwijsvrijheid ook door Verus gaan worden gedeeld? Borgman stelt dat de vrijheid zoals hij haar opvat, uiteindelijk ook in de 19e eeuw op het spel stond.

Overwoekerd worden

Berend Kamphuis vervolgt Borgmans verhaal met de constatering dat een eerder motief van onderwijsvrijheid, namelijk om de eigen groep tot emancipatie te brengen, te veel als een groepsrecht is gaan leven. Daaronder speelde in de 19e eeuw echter een andere, belangrijker vraag als voertuig van de strijd om de vrijheid van onderwijs: is de wereld om ons heen een samenstel van willekeurige en anonieme krachten, of heeft deze zin en betekenis? Die existentiële vraag is nog steeds aan de orde, maar dreigt door de dominantie van een empirisch georiënteerd mens- en wereldbeeld uit het zicht te raken. Dat is in het huidige onderwijs bijvoorbeeld merkbaar vanwege de dominantie van de empirisch georiënteerde onderwijskunde. Alles wat niet binnen dat kader past, wordt als particularistisch en niet-relevant gezien.

Kamphuis vertelt hoe dit verdringingsproces zich heeft ontwikkeld. Aanvankelijk waren er alleen deugdelijkheidseisen die over bijvoorbeeld de bevoegdheid tot lesgeven gingen. Daar kwamen steeds meer kwaliteitseisen bij; oorspronkelijk was ‘kwaliteit’ de school zelf toevertrouwd. Deugdelijkheidseisen en kwaliteitseisen zijn steeds meer naar elkaar toegegroeid. (Er ligt nu een wetsvoorstel met nieuwe deugdelijkheidseisen die gaan over doelmatigheid en continuïteit van de onderwijsorganisatie.)

Een en ander heeft geleid tot een uniformere, min of meer kwantitatieve kijk op onderwijs. Het is een collectieve opvatting over onderwijs. Kamphuis daarentegen wenst een ‘open midden’, dat elke dag opnieuw benut kan worden. Een open midden, geen bezet gebied dus, want wij weten uiteindelijk niet wat goed onderwijs is. Elke les is weer een nieuwe poging om tot goed onderwijs te komen. Dat is de diepere zin en betekenis van de vrijheid van onderwijs.

Nieuw leven inblazen

Wat daarmee op het spel is gezet, is de onderwijspedagogische bedoeling van scholen, hun bestaansreden. Alle nadruk ligt inmiddels op de technische, behavioristische kant van het leren. De taal daarvan wordt inmiddels ook gebruikt om het innerlijk leven van leerlingen te verwoorden. Echter, er zijn oorspronkelijker en meer adequate talen om die dimensie van het bestaan te verwoorden. Wat heeft ‘een leven lang leren’ voor zin als we niet weten wat ‘een leven lang’ tot zinvol leven, lang maakt.

Kamphuis wil om die reden het debat over onderwijsvrijheid nieuw leven inblazen, een debat overigens in alle rust te voeren en waarvan de uitkomst open moet zijn. Borgman vervolgt dat alle beschikbare visies nodig zijn. We hebben de antwoorden niet, maar vragen, en het geloof dat er antwoorden zijn. 

Dat kan ook de intentie van Verus zijn: dat met behulp van een pamflet een openbare gedachtewisseling wordt begonnen. Borgman zegt daar nog over dat het christelijk label van Verus daarbij in eerste instantie in de weg kan zitten. Het kan de indruk wekken dat wij het alleen over christelijk onderwijs hebben. Maar wij moeten het hebben over wat vanuit christelijk perspectief waarachtig onderwijs mag heten.

Iemand moet tenslotte beginnen. Laten we beginnen onze visies en standpunten in te brengen. Waar gaat het met onderwijsvrijheid in essentie om? Je wilt meepraten over bijvoorbeeld het beste onderwijs in een bepaalde regio. Je probeert uit te leggen dat de regelstand van het onderwijs niet onschuldig is, dat de beregeling niet een of andere voorfase is, waarna de school haar eigen gang kan gaan. Neen, het is juist die regelstand die moet worden aangeklaagd. Aan de betrokkenen bij een school moet worden gevraagd: “Willen jullie het wel zo? Willen we dit aan onze kinderen leren, geloven we echt dat dit de toekomst zal openen waarvan wij geloven dat God ons die zal geven? Of bepreken wij onze vrijheid tot: op onze eigen manier doen wat er van ons wordt gevraagd?”

Het komende half jaar gaat Verus over de visie van Kamphuis en Borgman op de situatie in het onderwijs in gesprek met haar leden. Begin januari volgen er nadere berichten over de organisatie hiervan. Vragen hierover? Neem dan contact op met Dick den Bakker

PO | VO | MBO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs