U bent hier

Verplichte eindtoets komt er niet

Basischolen krijgen niet de verplichting om in groep acht een eindtoets af te nemen bij hun leerlingen. Staatssecretaris Dijksma negeert daarmee een wens die eerder in de Tweede Kamer is uitgesproken om dat wel te doen. Ze is er niet van overtuigd dat zo'n verplichting de kwaliteit van het onderwijs verbetert. Dijksma vindt wel dat scholen de toetsinformatie beter moeten gebruiken.

Basischolen krijgen niet de verplichting om in groep acht een eindtoets af te nemen bij hun leerlingen. Staatssecretaris Dijksma negeert daarmee een wens die eerder in de Tweede Kamer is uitgesproken om dat wel te doen. Ze is er niet van overtuigd dat zo'n verplichting de kwaliteit van het onderwijs verbetert. Dijksma vindt wel dat scholen de toetsinformatie beter moeten gebruiken.

Tekst: Emmanuel Naaijkens

Ook de commissie Dijsselbloem heeft in zijn rapport 'Tijd voor onderwijs' de aanbeveling gedaan om de eindtoets verplicht te stellen. En bovendien om een begintoets in te voeren voor de leerlingen in groep 3. Maar ook daar voelt de staatssecretaris helemaal niets voor, zo'n toets op die leeftijd is niet betrouwbaar genoeg.

Dijksma hecht wel groot belang aan het toetsen - gedurende de hele schoolloopbaan - , maar ze wil dat er op een andere manier betekenis aan wordt gehecht dan nu doorgaans gebeurt. "Mijn conclusie is dat het toetsen van leerlingen meer in dienst moet staan van de verbetering van de onderwijskwaliteit. Daarmee hoop ik een belangrijke bijdrage te leveren aan het veranderen van de toetscultuur in ons basisonderwijs: een verschuiving van een afreken- naar een verbetercultuur", aldus Dijksma in een brief aan de Tweede Kamer.

De staatssecretaris gelooft niet in een verplichte afname van een eindtoets omdat dat vooral een symbolische waarde zou hebben: 95 procent van de scholen doet dat al. En in veruit de meeste gevallen is dat de Cito Eindtoets Basisonderwijs. Bovendien is er in het onderwijs breed draagvlak voor de opvatting dat de toetsen ook nodig zijn voor scholen om zich naar de buitenwereld te kunnen verantwoorden over de gerealiseerde opbrengsten.

Het draait er volgens Dijksma vooral om dat de leerkrachten de informatie die de toetsen opleveren gebruiken om de kwaliteit van het taal- en rekenonderwijs op een hoger plan te brengen en om individuele leerlingen beter te kunnen begeleiden. Wat dat laatste betreft is er nog een wereld te winnen, zo blijkt uit de brief van de staatssecretaris.

Ter voorbereiding van haar beleid voor het verbeteren van het reken- en taalonderwijs heeft OCW gesproken met een aantal vertegenwoordigers uit het onderwijsveld. En niet alleen met bestuurders en deskundigen, maar ook met mensen uit de dagelijks onderwijspraktijk. Uit die consultatie is naar voren gekomen dat leerkrachten het vooral moeilijk vinden om toetsresultaten te analyseren en te kiezen voor de juiste didactische vervolgstappen. "Leraren hebben behoefte aan hulpmiddelen die hen daarbij helpen. Als het lukt, zijn leraren enthousiast over de positieve resultaten die zij zien bij hun leerlingen."

In de nieuwe aanpak van het reken- en taalonderwijs gaan de referentieniveaus, zoals aanbevolen door de commissie Meijerink, een belangrijke rol spelen. Aan de hand daarvan kan vasgesteld worden op welk niveau een leerling zich op een bepaald moment, gegeven zijn capaciteiten, zou moeten bevinden. En bij de beoordeling van de prestaties van de school als geheel, dient de toegevoegde waarde die al dan niet is gerealiseerd centraal te staan. Daarbij moet dan wel nauwkeuriger dan nu het geval is, rekening worden gehouden met de samenstelling van de leerlingenpopulatie van de desbetreffende school.

Met haar beleid voor taal en rekenen speelt Dijksma in op een pleidooi van Marten Roorda, directeur van het Cito, om meer te doen met de beschikbare gegevens van de toetsen. In een interview met ons maandblad SBM zei Roorda in februari 2008 onder meer: "We hebben al onze leerlingvolgsystemen waarin van jaar tot jaar wordt bijgehouden wat leerlingen doen. Het enige wat je hoeft te doen is daar vaste standaarden aan te koppelen. Dan kun je precies in de gaten houden hoe dat niveau zich ontwikkelt. Van een leerlingen, van een school, landelijk. Een voorbeeld van een standaard is dat je aangeeft dat een leerling een bepaald aspect van rekenen op dat en dat niveau moet kunnen beheersen. Dat kun je objectief bepalen."

PO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs