U bent hier

Verborgen cameratoezicht op school

Diefstal door collega's onderling of van de werkgever is een ernstig en serieus probleem. Bij diefstal is niet alleen sprake van materiële schade, ook het vertrouwen en de onderlinge verhoudingen kunnen langdurig en blijvend beschadigd raken. Met name scholen, waar vertrouwen tussen mensen een (extra) belangrijke rol speelt, zijn hier kwetsbaar in.

Het is dan ook logisch dat scholen alles in het werk stellen om geconstateerde diefstallen, verduisteringen en andere onrechtmatige gedragingen door werknemers te voorkomen en op te sporen. Van belang is te melden dat dergelijke incidenten voor besturen intensief, bewerkelijk en kostbaar zijn. Dit blijkt uit de volgende casus.

Een school komt bij diefstal snel in bewijsnood
Een dader laat geen naam of briefje achter. Daar tegenover staat: een school kan als werkgever geen werknemers onjuist of vals beschuldigen. Scholen kunnen hierdoor snel in bewijsnood komen. Een verborgen camera kan uitkomst bieden. Echter, een verborgen camera mag niet zomaar gebruikt worden. Een werkgever kan in het ergste geval zelfs strafbaar zijn indien zij te snel overgaat tot het gebruik van een verborgen camera. Naar aanleiding van een recente casus wordt in dit artikel nader ingegaan op de eisen die een verborgen camera

De casus
Een aantal maanden terug verzocht een bestuur om juridische bijstand omdat zij een vermoeden had dat één van hun werknemers zich schuldig maakte aan diefstal van geld uit de kas van de schoolkantine. Het bestuur wilde deze werknemer (met de nodige dienstjaren) ontslaan. Uit de kas verdwenen elke week ongeveer dertig-veertig euro's. Leerlingen konden niet bij de kas komen. Het bestuur vermoedde dat in de nabijgelegen keuken het geld uit de kas werd weggesluisd.

De verborgen camera is soms nodig om bewijs sluitend te maken
Het bestuur was inmiddels begonnen met zijn onderzoek. Het had in de eerste plaats onderzocht of zijn administratie in orde was. Dat bleek het geval. De frequentie van de kascontrole werd omhoog geschroefd. De kas werd in plaats van één maal per week nu elke dag geteld. Na een aantal weken bleek dat steeds op de zelfde dag geld ontbrak. Dat was op de vrijdag. Daarna werd gekeken welke werknemers op de vrijdag het beheer hadden over de kas. Bij elkaar waren dat vier werknemers. Om diverse redenen vielen drie van de vier werknemers af. Op een gegeven moment was de vierde werknemer door familieomstandigheden op een vrijdag niet op school. Die dag werd er geen kastekort geteld. Door de afwezigheid van een kastekort werd het vermoeden bij het bestuur versterkt dat deze werknemer zich schuldig maakte aan het meenemen van geld. Echter, een serieus vermoeden alleen volstaat niet om een werknemer te ontslaan.

Het bestuur wilde een verborgen camera inzetten om de werknemer op heterdaad te betrappen en het bewijs sluitend te maken. Echter, een verborgen camera ophangen gaat niet zomaar. De wetgever stelt hoge eisen aan het gebruik van verborgen camera's.

De wettelijk eisen die aan verborgen cameragebruik worden gesteld
Opname met een (verborgen) camera op de werkvloer wordt door werknemers als het meest privacybedreigend ervaren. Uit de rechtspraak en uit de richtlijnen van het College Bescherming Persoonsgegevens kunnen enige uitgangspunten worden afgeleid. Daarbij moet de werkgever steeds de proportionaliteit en de subsidiariteit in de gaten houden, met andere woorden: het belang van de werkgever moet worden afgewogen tegen het schenden van de privacy van de werknemer en de werkgever moet het minst bezwarende middel inzetten: er mag niet meer en langer worden gefilmd dan noodzakelijk is.

Uitgangspunt is dat een werknemer op de werkplek recht heeft op een zekere bescherming van zijn/haar privé leven. Dat recht is onder meer ontleend aan artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Verborgen cameratoezicht is in principe niet toegestaan, tenzij de werkgever daarvoor een gerechtvaardigd belang heeft. Dat doet zich voor als er een serieus vermoeden bestaat dat er op de werkvloer strafbare feiten of onregelmatigheden worden begaan.

Zelfs als een werkgever een gerechtvaardigd belang aannemelijk kan maken moet hij strenge normen in acht nemen bij het gebruik van camera's. Zo mag verborgen cameratoezicht alleen als laatste redmiddel worden aangewend dus pas nadat andere middelen niet toereikend zijn gebleken. Daarnaast mag heimelijk cameratoezicht alleen in incidentele gevallen en gedurende een korte periode worden ingezet. Ook geldt het kenbaarheidvereiste, dat wil zeggen dat de werknemers vooraf in kennis zijn gesteld van de mogelijkheid dat de werkgever - onder bijzondere omstandigheden - zal gebruikmaken van verborgen camera's. Daarvoor is niet nodig dat een werkgever exact aangeeft wanneer en waar hij de camera's hangt maar dat hij - via een gedragscode of bedrijfsreglement - aan het personeel meedeelt dat daarvan in de toekomst gebruik kan worden gemaakt. Het kenbaarheidvereiste is ook in het Wetboek van Strafrecht opgenomen. Weinig werkgevers realiseren zich dat het gebruik van verborgen camera's waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze aan werknemers kenbaar is gemaakt strafbaar is. Een werknemer zou in die gevallen aangifte kunnen doen tegen een werkgever.

De werknemer wordt door de verborgen camera op heterdaad betrapt
Het bestuur in onze zaak had een op Intranet geplaatst cameraprotocol. Dit cameraprotocol bleek na bestudering onvolledig te zijn. Het protocol had alleen betrekking op observatiecamera's bij de ingang van de school en de aula. Het bestuur voegde in overleg met de MR een artikel in het protocol toe met de strekking dat bij onrechtmatigheden en onregelmatigheden op of in de school zo nodig gebruik gemaakt wordt van de verborgen camera. Alle werknemers kregen een mail waarin zij geattendeerd werden op de wijziging van het cameraprotocol.

Daarna werd door een gespecialiseerd bedrijf in het keukentje een verborgen camera geïnstalleerd. Uit de beelden bleek inderdaad dat de werknemer geld uit de kas pakte en het geld in zijn broekzak deed.

Tenslotte, ontslag op staande voet en toch een schikking
Het bestuur ontsloeg hierna onverwijld de werknemer op staande voet. De werknemer had niets meer te verliezen en vocht op alle manieren het ontslag aan. Het bestuur verzeilde een week later in drie juridische procedures, waaronder een kort geding. In het kort geding, dat plaats vond drie weken na het ontslag, gaf de rechter aan dat het bestuur rechtmatig gebruik had gemaakt van de verborgen camera. Toch trof het bestuur een schikking met de werknemer. Daar had het bestuur een goede reden voor.

Hoewel de onrechtmatigheid van het gedrag van de werknemer vast stond, ging het toch bestuur met de schikking akkoord. De schikking hield in dat arbeidsovereenkomst zonder vergoeding drie weken dan oorspronkelijk was bedoeld, werd beëindigd. De winst voor het bestuur zat in de finale kwijting. Door de finale kwijting was de beëindiging van de arbeidsovereenkomst definitief en werd het bestuur gevrijwaard van alle andere juridische procedures. Hierdoor was het bestuur verlost van kostbaar juridisch getouwtrek gedurende vele maanden, misschien wel jaren en kon zij deze zaak definitief afsluiten.

Vragen?

Met vragen kunt u terecht bij onze juridische helpdesk.

 

PO | VO | MBO | HBO | WO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs