U bent hier

Veiligheid school boven belang van docent

Leerlingen die een docent beschuldigen van onbetamelijk gedrag. Voor de school als werkgever en voor de betrokkene zijn het nachtmerries, omdat er hoe dan ook alleen maar verliezers zijn. Het bewijs is vaak niet of nauwelijks te leveren, maar alleen de suggestie dat ‘waar rook is er ook wel vuur zal zijn’ dwingt de school tot het zetten van verregaande stappen.

In deze kwestie van een gymleraar op een middelbare school kwam de beschuldiging niet van één of enkele leerlingen, maar van een groep. De leerlingen van een klas hadden bij de schoolleiding geklaagd over seksueel getinte opmerkingen, seksueel getint gedrag en grof taalgebruik van hun docent.

Na gesprekken met de leerlingen riep de leiding de docent op het matje, gaf hem een waarschuwing en wees hem een andere klas toe. Vervolgens deden de leerlingen van die klas hun beklag over het gedrag van de docent. De leraar ontkende de beschuldigingen en deed zelfs aangifte bij de politie wegens ‘laster en smaad’. Volgens de docent hadden leerlingen elkaar opgejut om hem in een kwaad daglicht te stellen.

Het bestuur van de school besloot een extern bureau in te schakelen om de beweringen van de leerlingen nader te onderzoeken. De conclusie was dat de toegeschreven grensoverschrijdende gedragingen niet louter konden worden afgedaan als geruchten of als groepsroddel of groepshetze. En daarmee was de positie van de docent in feite onhoudbaar geworden want, zoals het rapport opmerkt, een docent dient van onbesproken gedrag te zijn, en zelfs de schijn van seksueel getint gedrag of
uitingen dient te worden vermeden. Door zijn handelen was de veilige omgeving die een school moet bieden, aangetast, aldus het bureau.

Het bestuur restte niets anders dan een procedure tot ontslag in gang te zetten op basis van de regels in de cao voor het voortgezet onderwijs. In afwachting van de effectuering van het
ontslag nam het bestuur ook een besluit tot schorsing van de docent op basis van artikel 9.a.6 lid 2 sub f van de cao, met als motivering het grensoverschrijdend gedrag. De docent vocht het besluit aan bij de kantonrechter, maar die liet het besluit van de werkgever intact.

In zijn overwegingen merkte de kantonrechter op dat de aard van deze juridische procedure niet toelaat dat er, bijvoorbeeld door getuigenverhoor, wordt nagegaan wat zich in dit geval in de gymzaal heeft voorgedaan. Echter, er lag ook het rapport van het onderzoeksbureau, en voor de rechter woog dat zwaar mee in zijn oordeel om niet aan de eis van de docent tegemoet te komen.

De rechter: “Gegeven deze conclusie […] kan de school niet in redelijkheid verweten worden, dat zij haar belang bij het bieden van een veilige schoolomgeving aan haar minderjarige leerlingen heeft laten prevaleren boven het belang van haar docent om – gedurende de opzegtermijn – weer te worden toegelaten tot de werkplek”. Het bestuur was volgens de rechter in zijn besluitvorming bovendien voldoende zorgvuldig te werk gegaan, op een enkel schoonheidsfoutje na.

De rechter liet desalniettemin blijken dat hij zich er goed van bewust was dat de uitkomst van de procedure voor de docent en zijn familie een hard gelag is. De docent had altijd zijn ziel en zaligheid gelegd in zijn werk op school, al die jaren kennelijk naar volle tevredenheid. De rechter begreep het gevoel van machteloosheid, temeer omdat in de toekomst mogelijk zou kunnen blijken dat de aantijgingen van de leerlingen louter een gevolg zijn van groepshetze. Maar dat kon in het kader van deze procedure – juridisch gezien – geen rol van betekenis spelen, aldus de rechter.

Vragen?

Met vragen kunt u terecht bij onze juridische helpdesk.

 

VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs