U bent hier

Uitspraak Hoge Raad over het einde van slapende dienstverbanden

Op 8 november 2019 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de toelaatbaarheid van de zogenaamde ‘slapende dienstverbanden’.

Een slapend dienstverband is een dienstverband met een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, die niet meer kan werken, maar waarvan het dienstverband na twee jaar ziekte wel in stand wordt gehouden. Op deze manier wordt voorkomen dat er een transitievergoeding aan de werknemer betaald moet worden.

Geen goed werkgeverschap

De Hoge Raad heeft zich over deze kwestie gebogen en is tot het oordeel gekomen dat deze handelswijze niet in lijn is met wat van een goed werkgever in een dergelijke situatie verwacht mag worden.

In de uitspraak van de Hoge Raad ging het om een werknemer die:

  • twee jaar ziek is;
  • niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten;
  • waarvoor aannemelijk is dat binnen 26 weken na de twee jaar ziekte geen herstel zal optreden;
  • binnen de periode van 26 weken de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan verrichten.

De Hoge Raad oordeelt dat, als aan deze vier criteria wordt voldaan, het in principe niet redelijk is om het dienstverband met de zieke werknemer nog langer in stand te houden. Volgens de Hoge Raad dient het uitgangpunt te zijn dat, als de werknemer daarom vraagt, de werkgever op grond van het goed werkgeverschap gehouden is om het dienstverband te beëindigen en daarbij de wettelijke transitievergoeding betaalt.

Een uitzondering

Wel heeft de Hoge Raad op dit uitgangspunt een uitzondering gemaakt, als het gaat om een situatie waarin de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij de instandhouding van de arbeidsovereenkomst. De werkgever zal dit gerechtvaardigde belang dan aan de hand van specifieke omstandigheden dienen te bewijzen. Een dergelijk belang kan bijvoorbeeld zijn dat de werknemer nog wel degelijk over reële re-integratiemogelijkheden beschikt. De Hoge Raad benadrukt dat dit belang niet gelegen kan zijn in de omstandigheid dat de werknemer op het moment dat hij zijn beëindigingsvoorstel doet, de pensioengerechtigde leeftijd bijna heeft bereikt.

Hoogte transitievergoeding

Over de hoogte van de vergoeding zegt de Hoge Raad dat deze niet meer hoeft te bedragen dan wat de werkgever aan de werknemer verschuldigd zou zijn als hij na twee jaar ziekte (wel) tot beëindiging van het dienstverband zou zijn overgegaan. Dit betekent dus dat de periode tussen deze dag en de dag waarop daadwerkelijk tot beëindiging van het slapende dienstverband wordt overgegaan, niet hoeft te worden betrokken bij het berekenen van de transitievergoeding.

Voor wat betreft de transitievergoeding die betaald moet worden, geldt dat deze (als tenminste aan de voorwaarden wordt voldaan) door het UWV gecompenseerd kan worden. Dit kan echter pas per 1 april 2020, als de Wet compensatie transitievergoeding in werking treedt.

Voorfinancieren

Op grond van artikel 2 van de Regeling compensatie transitievergoeding is voor een aanvraag op grond van de Wet compensatie transitievergoeding wel vereist dat de volledige vergoeding al aan de werknemer is voldaan. Dit maakt dat de werkgever dus verplicht is om de vergoeding voor te financieren. Hiervan kan alleen worden afgeweken als de werkgever aannemelijk kan maken dat deze voorfinanciering tot ernstige financiële problemen leidt. In dat geval kan de rechter beslissen dat betaling aan de werknemer in termijnen plaatsvindt óf wordt opgeschort tot na 1 april 2020.

Heeft u nog vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met onze juridische helpdesk, helpdesk@verus.nl of 0348-74 44 60.

PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs