U bent hier

Tien jaar onderwijsrecht: meer burgerschapsvorming, minder vrijheid

De noodzaak om leerlingen en studenten de waarden en normen van de Nederlandse democratische rechtsstaat bij te brengen, is groter geworden. Dat vindt professor Miek Laemers. Vandaag houdt zij haar afscheidsrede als hoogleraar Onderwijsrecht aan de VU. “De vraag is: hoe ver moet de wetgever gaan om ervoor zorgen dat het onderwijs leerlingen opleidt tot fatsoenlijke burgers?”

De leerstoel die Laemers vervulde, wordt mede in stand gehouden door Verus. Zij wordt opgevolgd door professor Renée van Schoonhoven.

Wetgeving na wantoestanden

Een van de belangrijkste ontwikkelingen die Laemers na bijna een decennium op haar leerstoel ontwaart, is de toegenomen noodzaak om leerlingen en studenten de waarden en normen van de Nederlandse democratische rechtsstaat bij te brengen. Laemers: “De overheid pakt dat heel ernstig op. Ik denk dat dat ingegeven is door de ontwikkelingen bij sommige scholen die misschien wat afdrijven van het ideaal van integratie, sociale cohesie en waarden en normen zoals die in Nederland gelden.”

Wat volgt is wetgeving in reactie op al dan niet vermeende wantoestanden. Is wetgeving daarvoor geschikt? “Wetgeving is in dit verband instrumenteel en bedoeld om wantoestanden te voorkomen of te bestrijden”, zegt de hoogleraar. Maar ze is een realist: “Mensen zullen altijd slim genoeg zijn om regels te omzeilen of in ander verband, denk aan de weekendscholen, te werken aan het doorgeven van het eigen gedachtegoed. De werkelijke vraag is: hoe kan de wetgever er het beste voor zorgen dat het onderwijs leerlingen opleidt tot fatsoenlijke burgers? Tot burgers die niet discrimineren en uitsluiten? Die weten dat er bepaalde waarden en normen gelden? En dit alles zonder de onderwijsvrijheid te zeer te beperken”

De nieuwe burgerschapswetgeving waaraan gewerkt wordt levert wat Laemers betreft duidelijkheid op. “En wellicht een inperking van onderwijsvrijheid, maar dat is te rechtvaardigen zolang scholen maar overtuigingen kunnen blijven overbrengen in het licht van hun eigen grondslag. Met behoud van onderwijsvrijheid kun je het een doen (regels stellen) en het ander niet laten (onderwijsvrijheid ontzien).”

Meebewegen

De brug naar een tweede zeer in het oog springende ontwikkeling is geslagen: de toegenomen discussie over artikel 23 Grondwet, de vrijheid van onderwijs. Laemers: “Ik vind dat artikel 23 moet meebewegen met de ontwikkelingen die er in de maatschappij zichtbaar zijn. Dat de accenten een beetje verschuiven. De indeling die we altijd hadden op basis van godsdienst/levensbeschouwing, die raakt meer op de achtergrond.”

Maar er zijn nog steeds scholen die met overtuiging hun grondslag willen realiseren en daarvoor onder meer gebruikmaken van toelatings- en benoemingsbeleid. En Laemers is er ook voor dat die overeind blijven. “Het feit dat in het grote verband de betekenis van godsdienst minder wordt, betekent niet dat de onderwijsinstellingen die daaraan hechten mee moeten verdwijnen.”

Ontwikkelingen duiden

Hier ziet ze ook -en dat is de derde grote ontwikkeling in tien jaar tijd- een belangrijke verantwoordelijkheid voor onderwijsjuristen: onderwijsrechtontwikkelingen duiden. Laemers: “Veel meer dan een aantal jaar geleden worden wij gebeld door journalisten om zaken uit te leggen. En die journalisten willen zwart of wit. Zeg dat de overheid over de schreef gaat en ze vinden het geweldig. Maar de werkelijkheid is anders. Ik begrijp dit én ik begrijp dat. Zo genuanceerd willen journalisten het niet hebben.”

Lees hier de afscheidsrede van prof. Miek Laemers

PO | VO | MBO | HBO | WO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs