U bent hier

Terug van weggeweest: de bedoeling van onderwijsvrijheid

De dagelijkse blijheid van leerlingen, op schoolpleinen en tijdens pauzes, doet ons bijna vergeten dat er ook onbehagen heerst in het onderwijs, en dat is al heel lang zo. Verus wil dit gegeven serieus nemen en startte eind november vorig jaar een onderwijsdiscussie.

In plaats van het overheidsbeleid als oorzaak van de negatieve stemming aan te wijzen, wat toch wel gebruikelijk is, zou deze discussie over onze eigen opstelling moeten gaan. Onlangs kwam een groep leden, bestaande uit bestuurders, schoolleiders en toezichthouders (die in de Verus-ledencommissies zitten), bijeen om de discussie van Verus voort te zetten. Is het onderwijsstuur niet al te gemakkelijk uit het handen gegeven? Hoe kan het ook anders? Dat waren zo enkele vragen.

De bedoeling van onderwijs

Het is een feit dat het westerse onderwijs in het teken is komen te staan van economisch nut. Het verbaast Erik Borgman dat niemand in het onderwijs uitroept: ‘Hoe kom je erbij? Onderwijs is helemaal niet bedoeld voor het verdienvermogen van BV Nederland! En wij hebben daar verstand van.’ Borgman, een hoogleraar van Tilburg University, is, samen met twee schoolbestuurders, Berend Kamphuis en Eugène Bernard, en op verzoek van Verus, bezig een discussie over de toestand in het onderwijs aan te wakkeren.

In plaats van dat onderwijs smeerolie voor de economie is, is het bedoeld jonge mensen op te voeden om aan een toekomst te werken, die nu eenmaal onbekend is en die telkens opnieuw moet worden gevonden, aldus Borgman. Hij wijst in dit verband op het pedagogische inzicht van Gert Biesta, dat het jonge mensen moet worden geleerd zichzelf niet in het centrum te zien, juist niet. De bedoeling van onderwijs en opvoeding is de jonge mens te verleiden tot een verlangen naar volwassenheid, naar een volwassen houding in plaats van een egocentrische positie in te nemen. Borgman: “De bedoeling is persoonsvorming.” En hij haast zich eraan toe te voegen dat dit niet zonder kennisverwerving gaat. “Meer persoonsvorming houdt in: meer kennis.” Volwassen willen zijn, is veeleisend.             

Borgmans visie is theologisch. Hij zegt: “God spreekt tot ons via kinderen.” Wat zeggen zij ons? Wat vragen zij ons? Welke behoeften hebben ze? De antwoorden op dit type vragen leren ons wat goed onderwijs is, stelt hij. Ze sporen ons aan jonge mensen, als beeld van God, te helpen volwassen te worden, “aan het licht te komen”, zoals Borgman het uitdrukt.

Bedoeling aangepast

Dat de wereld een godsdienstige betekenis heeft, is natuurlijk niet meer vanzelfsprekend. Berend Kamphuis wijst op het voor tijdgenoten nauwelijks zichtbare, langzame proces van een culturele verandering, die in de negentiende eeuw met name door de inzichten van Charles Darwin werd gevoed. De wereld werd een toevalligheid. Een metafysisch wereldbeeld ging daarmee verloren. Er is geen zin in het leven. Het leven heeft geen hogere betekenis. Het heeft alleen zin de wereld zelf te kennen. Kennis betekende voortaan uitsluitend verifieerbare kennis. De empirische wetenschappen begonnen aan hun opmars, bedoeld om de wereld te exploreren en te exploiteren. De zin hiervan is ‘vooruitgang’.

Voor onderwijs en opvoeding betekende deze culturele verandering nieuwe oriëntatiepunten. De HBS, een onderwijssoort waarvan de eerste school in 1864 werd gesticht, kreeg een natuurwetenschappelijke richting. Naast deze nieuwe inhoudelijke oriëntatie, is de gesteldheid van de leerling onder de loep komen te liggen. Pedagogische (geesteswetenschappelijke) inzichten zijn vervangen door resultaten van psychologisch en onderwijskundig empirisch onderzoek, dat met name de kinderlijke belangstelling en motivatie als aangrijpingspunten heeft. Schoolpedagogiek is vervangen door technische onderwijskunde. In die zin zijn de leerlingen in het onderwijs centraal komen te staan. Wat werkt om hun ontwikkeling en leergedrag te stimuleren? Dat is de hamvraag geworden, ook om hun kansengelijkheid, een morele zorg tenslotte, te kunnen borgen. Kamphuis meent dat de empirische denkwijze inmiddels ook het zielenleven van de leerlingen heeft bereikt, die, systematisch terugblikkend op eigen functioneren, een portfolio dienen aan te aanleggen.

Terwijl Borgman onderwijs en opvoeding in het licht plaatst van de volwassenheid van jonge mensen, die de toekomst kunnen maken door met een nieuw begin te komen, laat Kamphuis zien dat intussen beide in functie staan van de gedragssturing van de jeugd, van haar conditionering.

Onderwijsregelgeving

Kamphuis laat ook zien dat de overheid zich voor eigen doeleinden van het onderwijs meester heeft gemaakt en waarom dit is gebeurd. Het begin daarvan valt samen met het ontstaan van de Bataafse Republiek, eind achttiende eeuw, en vervolgens de Nederlandse staat, begin negentiende eeuw. Onderwijs werd een van de instrumenten van natievorming. Burgerschapsvorming werd zo een van zijn taken. Dat in onze dagen burgerschap opnieuw een onderwijsthema is, duidt erop dat de staat kennelijk moet worden aangesterkt.

Tegenwoordig gaat de bemoeienis van de overheid met het onderwijs zelfs zover, dat de kwaliteit van onderwijs door haar is gedefinieerd. Ze heeft er een kwantitatieve (in feite abstracte) betekenis aan gegeven. Zo zijn er – als vaste punten – wettelijke referentieniveaus voor taal en rekenen. Kamphuis ziet een perpetuum mobile bewegen. In een eindeloze beweging wordt de kwaliteit van onderwijs gekwantificeerd om vervolgens in de onderwijswerkelijkheid te worden gebracht. Hij zegt: “Met verfijnde regelgeving wordt zo de werkelijkheid betrapt.” Een ongemakkelijke situatie, want de vaste punten zijn buiten de werkelijkheid gelegen en daar in elkaar gezet. “Dit heeft een prijs”, aldus Kamphuis, “Het gewone leven, waarin kwaliteit kan ontstaan, hebben we zo achter ons gelaten.” Wat ervoor in de plaats is gekomen is “een monopolistische opvatting van wat goed onderwijs is”. Hij noemt het “een gelijkschakelijking van kijken.” Zoals de overheid kijkt, kwantitatief. Maar de werkelijkheid vraagt om een heel ander kijken.

De bedoeling van onderwijsvrijheid

Eigenlijk moet onderwijsvrijheid worden vlot getrokken. Nu lijkt het erop, aldus Kamphuis, dat er een vrij eigen hoekje is, waar iets subjectiefs gedaan mag worden. Sommige scholen gebruiken dat hoekje dan voor levensbeschouwelijk onderwijs, andere voor andere accenten. Maar de vrijheid zelf is voor iets anders uitgevonden. Dit is het punt dat Erik Borgman wil maken. Hierboven vraagt hij zich af wat kinderen ons zeggen. Wat zijn hun vragen? Wat zijn hun behoeften? Als wij op hen in willen gaan, moeten we bereid zijn steeds opnieuw te leren wat goed onderwijs is. En daar is vrijheid voor nodig.

Vrijheid is een intrinsieke waarde van ons bestaan, opdat wij het goede kunnen doen, in het onderwijs, overal. Borgman: “Die ruimte moet worden geclaimd, we hebben tanden nodig. In die zin is artikel 23 niet klaar.” Opnieuw moet onderwijsvrijheid aan de orde worden gesteld. “Er is strijd te voeren”, zegt hij, “Of je die wint, is de vraag. Er moet tamelijk hard worden gepraat. Het onderwijs gaat zelf over onderwijs en niet de overheid, wat bijvoorbeeld veel ouders denken. De overheid heeft te dienen, ze is er niet om de samenleving te vervangen. Dat zou een principiële verandering zijn. Er moet uitvoerig worden uitgelegd. Er is echt huiswerk te doen. Er moet taal voor gevonden worden.”

Opnieuw moet de scherpte worden gezocht, stelt Borgman en hij herinnert ons eraan dat het strijdpunt in de negentiende eeuw was: wie gaat over de opvoeding, de staat of de kring (het gezin, de school)? Hij gaat verder: “Verwar onderwijsvrijheid niet met ondernemersvrijheid. Daar is niet voor gestreden.”     

Het gaat om grote vraagstukken. “Kleine vragen leveren gescharrel op”, zegt hij. Borgman wijst nog eens op de bedoeling van vrijheid. In de gegeven pluriforme samenleving, die niet op slot zit, ook al geven gebruikte systemen die indruk, kan op eigen kracht kleur worden aangebracht, bijvoorbeeld in een school. Maar dit kleurgebruik is altijd relatief, benadrukt hij. Dat blijkt wel als je tegen iets aanloopt, dat om verandering vraagt. Op school zijn dat de kinderen, de jongeren met, zoals gezegd, hun vragen, hun behoeften. “Het gaat daarom niet om grondslagdenken en van daaruit een eigen programma ontwikkelen”, concludeert hij, “het gaat om de vrijheid die de toekomst wezenlijk openhoudt.”

Verus wil ruimte en taal geven om de eigen kracht in schoolorganisaties te zien en te benutten. Bezoek daarom een van de volgende twee discussiebijeenkomsten:

PO | VO | MBO | HBO | WO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs