U bent hier

Scholen mogen van medewerkers blijven vragen de grondslag te onderschrijven

Scholen mogen van medewerkers blijven vragen de grondslag te onderschrijven. Daarbij mogen ze echter geen direct onderscheid maken op andere gronden dan godsdienst of levensovertuiging. Dit laten de indieners van het wetsvoorstel dat een einde maakt aan de enkele-feitconstructie in de Algemene wet gelijke behandeling weten in reactie op schriftelijke vragen vanuit de Eerste Kamer.

Benoemingsbeleid van scholen

Eind mei stemde de Tweede Kamer na een uitvoerig debat in ruime meerderheid voor het schrappen van de enkele-feitconstructie uit de Algemene wet gelijke behandeling. Het initiatiefwetsvoorstel van D66, PvdA, VVD, GroenLinks en SP waarmee dit wordt geregeld is relevant voor het benoemingsbeleid van scholen. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer ging het onder meer over de vraag welke ruimte scholen houden om van (aan te nemen) personeel te vragen zich te gedragen overeenkomstig de grondslag van de school. Het bleek lastig de precieze consequenties van het wetsvoorstel aan te geven. Minister van Binnenlandse Zaken Plasterk stelde dat de beoogde wetswijziging symbolisch is en de praktijk er niet door zal veranderen.

Inmiddels is het wetsvoorstel aanbeland in de Eerste Kamer. Vanuit de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken stelden de senatoren van D66, CDA, ChristenUnie en SGP huize half september een aantal schriftelijke vragen. Eind vorige maand verschenen de antwoorden van de indieners en minister Plasterk.

Goede trouw en loyaliteit

In hun vragen stellen de genoemde fracties in eigen bewoordingen een aantal punten aan de orde die ook naar voren kwamen in de Tweede Kamer. Zo wordt gevraagd waarom de indieners niet hebben gekozen voor een van de tekstvarianten die de Raad van State in zijn advies aan de regering uit 2009 voorstelde. De Raad achtte het mogelijk om zowel een Europese richtlijn over gelijke behandeling (2000/78/EG) in de Awgb te implementeren als de balans tussen de aan de orde zijnde grondrechten (persoonlijke vrijheid, vrijheid van onderwijs en vrijheid van godsdienst) te handhaven.

Volgens de indieners hebben zij vooral zo nauw mogelijk willen aansluiten bij de tekst van de Europese richtlijn. Daarbij past volgens hen wel het vragen van 'goede trouw en loyaliteit' aan de grondslag van de instelling, maar niet het eisen van personeel dat het bijdraagt aan de ‘verwezenlijking’ van die grondslag. Dit laatste komt wel voor in de teksten van de Raad van State, maar kan volgens de indieners leiden tot (wat hun betreft ongewenste) zwaardere eisen aan werknemers dan het vragen van goede trouw en loyaliteit. 

De indieners plaatsen het begrip goede trouw en loyaliteit in het teken van het ‘goed werknemerschap’ uit het Burgerlijk Wetboek. Wat goede trouw en loyaliteit in de praktijk precies betekent is aan de rechter om in concrete gevallen in te vullen, zo stellen zij. Zij geven daarbij aan dat er "in beginsel ook gerechtvaardigde eisen kunnen zijn voor werknemers die ook de privésfeer en het privéhandelen kunnen betreffen." 

Geloofwaardigheid van schoolpersoneel

Verder stellen ze in het kader van een vraag over de geloofwaardigheid van de opvoedende en onderwijzende taak van schoolpersoneel dat goede trouw en loyaliteit aan de grondslag van de school kan betekenen "dat van een werknemer verlangd mag worden dat hij, ook buiten de school situatie, niet onmiskenbaar handelt op een wijze die haaks staat op de grondslag van de school."

Grondslag onderschrijven

Een andere vraag betreft die naar de ruimte die instellingen met een godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag straks nog hebben om van hun personeel te vragen de grondslag te onderschrijven. 

Die ruimte is er, aldus de indieners van het initiatiefwetsvoorstel. Er mag daarbij alleen direct onderscheid worden gemaakt op grond van godsdienst of levensovertuiging. Daarbij moet dat onderscheid "een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigde beroepsvereiste vormen, gezien de grondslag van de instelling." Zo mag een school volgens de indieners het lidmaatschap van een bepaald kerkgenootschap vereisen. Maar wanneer in de grondslag expliciet wordt gesproken over bijvoorbeeld homoseksuele gerichtheid en/of burgerlijke staat en van een medewerker of sollicitant "wordt geëist dat hij zal leven overeenkomstig die formulering van de grondslag, zal dat direct onderscheid op kunnen leveren dat niet is toegestaan."

Indirect onderscheid

Bij minder expliciete formuleringen van grondslagen kan sprake zijn van indirect onderscheid. De indieners noemen hier als voorbeeld dat van een werknemer wordt gevraagd de ‘Drie formulieren van Enigheid’ te onderschrijven. Wanneer de uitleg daarvan door het schoolbestuur "personen met een bepaalde seksuele gerichtheid of burgerlijke staat in het bijzonder treft" kan er sprake zijn van indirect onderscheid. Volgens artikel twee van de Awgb is indirect onderscheid toegestaan wanneer dat onderscheid ‘objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen tot het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.’ De indieners stellen dat “het verwezenlijken van de doelstelling van de school meestal wel een legitiem doel op zal leveren." 

Of de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn hangt af van de specifieke situatie. Dit is ter beoordeling aan de rechter. "Daarbij gaan de initiatiefnemers ervan uit dat eisen eerder passend en noodzakelijk zullen worden geacht naarmate zij minder diep ingrijpen in de grondrechten van de werknemer, zoals het recht op een privéleven, vrijheid van meningsuiting en betoging."

Meer duidelijkheid

Volgens de indieners komt er door het gebruik van de begrippen direct en indirect onderscheid meer duidelijkheid dan er in de huidige situatie is met de begrippen ‘enkele feit’ en ‘bijkomende omstandigheden’.

Grondrechtenbalans

Vanuit de Eerste Kamer worden ook vragen gesteld over de grondrechtenbalans. Er wordt gevreesd voor een verschuiving ten faveure van het gelijkheidsbeginsel en ten koste van andere grondrechten, zoals de vrijheid van onderwijs. De indieners stellen in reactie dat hun wetsvoorstel geen rangorde in grondrechten aanbrengt. Het is uiteindelijk aan de rechter om binnen het wettelijke kader (dat met het wetsvoorstel wordt aangepast) te beslissen “welk grondrecht in een concreet geval het zwaarst moet wegen".

Minister Plasterk sluit zich in zijn reactie op de vragen uit de Eerste Kamer bij dit laatste aan. Daarnaast bevestigt hij dat gedragingen in de privésfeer onder omstandigheden onderdeel kunnen zijn van wat van een werknemer gevraagd wordt, maar dat rechten van de werknemer, zoals het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, hier een begrenzing vormen.

Vorige week besloten de senatoren dat zij de schriftelijke antwoorden voldoende vonden. Er volgt nu nog een plenair debat in de Eerste Kamer. Dit staat gepland voor 3 februari 2015.

PO | VO | MBO | HBO | WO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs