U bent hier

Plan ministers voor meer grip op scholen vol tegenstellingen

De ministers Van Engelshoven en Slob willen sneller kunnen ingrijpen bij scholen waar sprake is van ongewenste situaties. Concrete aanleidingen hiervoor zijn het examendebacle in Maastricht en de situatie bij het Haga Lyceum in Amsterdam. Verus begrijpt de wens om adequaat te kunnen ingrijpen, maar ziet wel een aantal gevaren en tegenstrijdigheden in de plannen.

De ministers willen vier maatregelen treffen. Daaronder zijn het met spoed kunnen ingrijpen bij een redelijk vermoeden van wanbeheer, het stopzetten van de bekostiging als sprake is van structurele strijd met de burgerschapsopdracht en het direct kunnen ontslaan van niet functionerende bestuurders en/of intern toezichthouders.

Autonomie en vertrouwen

Autonomie en vertrouwen vormen het uitgangspunt bij het instrumentarium ’, schrijven de bewindspersonen. Maar ze ervaren dat in sommige situaties de middelen op dit moment ontoereikend zijn. Het gaat weliswaar om uitzonderingen, maar die uitzonderingen dwingen blijkbaar wel tot het doen van deze voorstellen. Daarmee lijken incidenten tot norm verheven te worden.

Noodzakelijk en proportioneel

Het uitgangspunt bij ingrijpen door de minister is en blijft dat de ingreep noodzakelijk en proportioneel moet zijn. Er kan pas met een sanctie worden ingegrepen als is geconstateerd dat een wettelijk voorschrift is overtreden. De maatregelen moeten wel met de nodige zorgvuldigheid worden genomen en moeten een rechterlijke toets kunnen doorstaan, schrijven Van Engelshoven en Slob.

De 4 voorstellen

De ministers stellen de volgende maatregelen voor:

  1. Sneller ingrijpen door de minister in spoedeisende gevallen
  2. Uitbreiding van de definitie ‘wanbeheer’ (wanbeheer is een grond waarop de minister kan ingrijpen)
  3. Sneller financiële sancties treffen (boete opleggen, bekostiging stopzetten) bij bekostigde onderwijsinstellingen
  4. Beëindiging van de bekostiging in het funderend onderwijs

Bij punt 1 zeggen de bewindspersonen dat wanneer een redelijk vermoeden van wanbeheer bestaat, zij in spoedeisende gevallen een tijdelijke aanwijzing kunnen geven. Ze willen dus snel kunnen ingrijpen en daarbij is niet nodig dat definitief vaststaat dat er daadwerkelijk sprake is van wanbeheer. Een redelijk vermoeden daarvan is voldoende, aldus de ministers.

Ook vervalt de wettelijke termijn waarbinnen de onderwijsinstelling een reactie mag geven op het voornemen van de minister, zodat sneller gehandeld kan worden. Dit voorstel lijkt daarmee in tegenspraak te zijn met de eerder genoemde voorwaarde dat geconstateerd moet zijn dat een wettelijk voorschrift is overtreden. Ook het criterium van zorgvuldigheid lijkt hier aan de kant geschoven te zijn.

Burgerschap

Aan de definitie ‘wanbeheer’ (punt 2) wordt nu ook “het ernstig of langdurig verwaarlozen van de zorg voor de burgerschapsopdracht of de sociale veiligheid” toegevoegd. Daarbij verwijzen de ministers naar het wetsvoorstel Verduidelijking burgerschapsopdracht dat nu nog bij de Raad van State ligt. Alles hangt af van de invulling van die burgerschapsopdracht: hoeveel ruimte krijgt een school straks nog om een daar een eigen visie op te hebben? Of is er straks nog maar één visie de juiste en worden afwijkende visies straks bestraft met einde bekostiging.

Rechtsbescherming

Bij alle maatregelen die worden voorgesteld hoort een adequate rechtsbescherming. Een school die wordt beschuldigd van wanbeheer moet zich kunnen verdedigen voordat het onderzoeksrapport wordt gepubliceerd.

Is dit nodig?

Verus vindt dat de ministers van en voor OCW met zeer forse maatregelen komen voor (gelukkig) uitzonderlijke situaties. Wij vinden dat deze maatregelen alleen ingevoerd moeten worden, wanneer onomstotelijk is vastgesteld dat bestaande wetgeving tekortschiet en helder is wat de burgerschapsopdracht inhoudt. Daarbij hoort in alle gevallen een adequate rechtsbescherming.

PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs