U bent hier

‘Passend onderwijs? Alle kinderen zijn gewoon speciaal’

‘Passend onderwijs niet van de grond gekomen’, kopte NRC Handelsblad op 8 september. De eerste verjaardag van passend onderwijs leverde daarnaast nog meer kritische artikelen op in de pers. Maar zo kijken niet alle scholen er tegenaan. Verus sprak met een schoolbestuurder en een intern begeleider die het vanzelfsprekend vinden om zoveel mogelijk kinderen op de buurtschool te houden. 

De Stichting Protestants Christelijk Onderwijs Alblasserdam Zwijndrecht was al lang voor de komst van passend onderwijs bezig om zich meer te richten op individuele leerlingen. Al vanaf 2007 wordt het personeel geschoold in handelingsgericht werken. ‘‘We gaan steeds meer vraaggestuurd werken; we richten ons op wat de kinderen nodig hebben’’, vertelt bestuurder Ad Vos. Sinds de recente fusie met de Stichting Kinderopvang Zwijndrecht heet zijn organisatie PIT kinderopvang & onderwijs. 

Vos, tevens moderator van de LinkedIn-groep Passend onderwijs en effecten (met bijna 16.000 leden): ‘‘Onze directeuren zijn bezig om de organisatie van de school zo in te richten dat de leerkrachten ruimte hebben om hun werk te doen. We geven leerkrachten 10% meer tijd dan de cao voorschrijft om hun lessen voor te bereiden. En wij als bestuurders zijn druk bezig om al onze scholen te positioneren in het samenwerkingsverband (swv). Samen met de andere schoolbesturen willen we ervoor zorgen dat alle aangesloten scholen op een fatsoenlijke manier gefaciliteerd worden. Ook daarbij kijken we vooral naar het belang van het kind.’’

Stapje harder

PIT heeft geen thuiszitters. Volgens Vos is het gelukt om binnen zijn organisatie een cultuur te vestigen waarin passend onderwijs kan gedijen. ‘‘Men gaat voor de kinderen, de leerkrachten zijn bereid om net even een stapje harder te lopen. We proberen binnen de stichting ook transparant en professioneel te zijn. Als collega’s klagen over werkdruk of een te traag werkend swv, willen wij hen niet in de kou laten staan. Als bestuur moet je je mensen ondersteunen.’’

Tijdrovend overleg

Maar nog niet alles rond passend onderwijs verloopt goed. De werkdruk op de scholen is flink toegenomen. Vos: ‘‘In het kader van passend onderwijs moet er heel veel worden overlegd, met ouders, ib’ers, pedagogen en andere ‘ogen’, het zorgteam, de directeur… Het lukt absoluut niet om al die gesprekken te voeren in de uren die ervoor staan.’’

Verder openbaren zich regelmatig verschillen binnen de swv’s. ‘‘Wij zitten in twee swv’s. Dan merk je dat de manier van aansturen kan bepalen of een samenwerkingsverband goed of minder goed functioneert. Je ontmoet stroperigheid en  bureaucratie. De visies verschillen soms ook. De een gaat voor de toekomst en wil onbaatzuchtig dingen regelen; de ander is vooral gericht op de voordelen voor zijn eigen organisatie. Naar mijn idee kan passend onderwijs pas slagen als je op alle niveaus de wens deelt dat je samen voor het kind aan de slag wilt.’’

De Regenboog

Basisschool De Regenboog opereert buiten de Randstad, in het Noord-Hollandse Sint Maarten. Maar ook op deze plattelandsschool staat passend onderwijs op de kaart. De Regenboog probeert de kinderen zo lang mogelijk binnen te houden. ‘‘Ik heb zelf de master SEN leidinggevend begeleiden gedaan, dus die expertise hebben we in ieder geval in huis’’, vertelt ib’er Hermien Bakker. ‘‘Alleen wanneer het binnenhouden van een kind ten koste gaat van dat kind of de groep, en de leerkracht boven de toppen van zijn kunnen moet presteren, moet je soms concluderen dat je het met elkaar niet redt.’’

Arrangementen

Thuiszitters zijn er niet of nauwelijks in haar regio. Van de 58 leerlingen op De Regenboog hebben er vijf een arrangement. Bakker zit in het ondersteuningsteam dat namens het swv arrangementen toewijst. ‘‘Sommige ib’ers zeggen: het lijken de rugzakken wel,’’ zegt ze. ‘‘Maar we arrangeren de hulp echt kindgebonden, Dat wat een kind echt nodig heeft, wijzen we toe. Dat geldt ook voor de plusklas. Het is echt hulp op maat.’’

Korte lijnen

Ze vindt het prettig dat binnen het swv de lijnen kort zijn. ‘‘Daar zit ook de centrale toewijzingscommissie, die verwijst naar het speciaal onderwijs. Je kunt snel overleggen, bijvoorbeeld wanneer de ontwikkeling van een kind stagneert, cognitief of sociaal.’’

Beter nadenken

De ib’er: ‘‘Ik ben misschien beetje bevooroordeeld omdat ik de arrangementen toewijs, maar het valt mij echt op dat collega’s steeds beter nadenken over welke hulp ze kunnen bieden en of die past in ons schoolprofiel. Als dat laatste zo is, gaan wij er zelf mee aan de slag. Moet de hulp worden uitbesteed, dan worden daarvoor arrangementen aangevraagd en vaak ook toegekend. Soms wordt er zelfs meer hulp toegekend dan er is aangevraagd.’’

Leerkrachtgedrag

Een lastig punt vindt zij het leerkrachtgedrag. ‘‘Je moet mensen zover zien te krijgen dat zij anders moeten gaan denken, meer in kansen en minder in problemen. Verder is het invullen van groeidocumenten en ander papierwerk nieuw en dit kost tijd. Maar ik ben ervan overtuigd dat het ook wat oplevert.’’

Assertieve ouders

Verder moet de school wennen aan de veranderde rol van ouders. ‘‘We merken dat ouders snel ergens een oordeel over hebben. Soms merk je ook dat zij bang zijn dat hun kinderen last zullen krijgen van stoornissen in de klas. We hebben wel wat onbegrip gezien. Vooral toen er drie extreme jongetjes in één groep zaten. Die zijn nu verspreid over verschillende klassen, en gelukkig doen ze het heel goed.’’

Leerlingen die meer aandacht vragen zijn echter van alle tijden. ‘‘Je moet als leerkracht zelf meer structuur bieden. Ben je zelf wat chaotisch, dan is dat een lastige taak.’’

Drijfveer

Wat drijft scholen om zich in te zetten voor passend onderwijs? Vos: ‘‘Dat kan maar één ding zijn: het kind moet er beter van worden.’’  Bakker: ‘‘We gaan allemaal voor kinderen. Wij vinden speciale kinderen gewoon zoals we gewone kinderen speciaal vinden.’’ 

 

 

PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs