U bent hier

Onderzoek zet aannames passend onderwijs recht

De Tweede Kamer sprak vanochtend met onderzoekers van het NRO over passend onderwijs. Daarin zetten de onderzoekers een paar bekende aannames over de gevolgen van passend onderwijs recht.

NRO is een samenwerking van wetenschappelijke bureaus die in opdracht van de Tweede Kamer rapporten leveren voor de evaluatie passend onderwijs. Donderdag 20 juni sprak NRO met Kamerleden over een aantal onderzoeken.  Op woensdag 26 juni a.s  bespreekt de Tweede Kamer de voortgang. Opmerkelijk was dat de onderzoekers vanochtend een aantal bekende effecten van passend onderwijs onderuithaalden. 

Leraren worden extra belast door passend onderwijs

Het is onjuist dat er met passend onderwijs meer zorgleerlingen zijn gekomen. Het NRO stelt dat aantoonbaar de resultaten en het welbevinden van alle kinderen niet is veranderd sinds de invoering van passend onderwijs. De complexiteit van leerproblemen bij leerlingen in het regulier onderwijs is volgens de onderzoekers ook niet toegenomen.

Wat is er dan aan de hand? Onderzoekers constateren een hoger gevoelde werkdruk bij leraren als gevolg van te hoge verwachtingen, toenemende onzekerheid over welke kinderen nu wel of niet passend onderwijs krijgen en ouders die meer eisen stellen. Het NRO wijst als grootste probleem op het lerarentekort. Voor bepaalde kinderen is stabiliteit een van de voornaamste voorwaarden voor verbetering.

Negatieve verevening leidt tot hogere drempels voor leerlingenzorg

Het is níet zo dat alle samenwerkingsverbanden met negatieve verevening minder leerlingen toelaten tot het speciaal onderwijs. Bij slechts een minderheid van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs wordt aantoonbaar veel voorzichtiger extra middelen uitgetrokken voor zorgleerlingen dan elders. De uiteindelijke, grootste stap in de verevening vindt pas volgend schooljaar plaats. Daarna zijn de effecten dus ook het duidelijkst te zien. Dat betekent dat de evaluatiebespreking volgend schooljaar met de Tweede Kamer te vroeg komt.

Er zijn twee manieren waarop samenwerkingsverbanden het geld verdelen: óf het gaat direct naar de scholen (het samenwerkingsverband als ‘geldverdeelstation’), óf het samenwerkingsverband zegt geld toe na een aanvraag voor zorg. Het NRO schets hoe lastig het is om in het eerste geval de besteding van de middelen te verantwoorden. Waar scholen het geld direct krijgen, zetten ze dat bijvoorbeeld in om klassen te verkleinen. In samenwerkingsverbanden waar geld volgens arrangementen achteraf verdeeld wordt, is mogelijk sprake van een eerlijker verdeling. Probleem daarbij is wel een toenemende bureaucratie. 

Passend onderwijs leidt tot minder thuiszitters

Scholen slagen er in toenemende mate in kinderen met een zorgvraag hulp te bieden. Maar sommige leerlingen kan nooit een geslaagde onderwijsplek geboden worden. De thuiszittersproblematiek is teveel het succes van passend onderwijs gaan bepalen, terwijl dit slechts klein deel van totale extra voorzieningen van passend onderwijs omvat.

PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs