U bent hier

Nieuwe onderzoekskaders voor inspectietoezicht: wat verandert er?

Er gelden per 1 augustus nieuwe onderzoekskaders voor het inspectietoezicht. Hierbij veranderen een aantal zaken, waaronder de focus op verantwoordelijkheid van het bestuur, het vernieuwde stelseltoezicht en de nieuwe wetgeving voor de burgerschapsopdracht. Wij zetten de belangrijkste wijzigingen voor je op een rij.

Nieuw: Nog meer focus op verantwoordelijkheid van het bestuur

De inspectie blijft de scholen bezoeken om een beeld te krijgen hoe ze ervoor staan. Daartoe voert de inspectie jaarlijks van iedere school een risicoanalyse uit. Deze analyse is bedoeld om na te gaan of er risico’s zijn, die de inspectie nader moet bespreken met het bestuur. Ook signalen kunnen hiervoor een aanleiding zijn. Naar aanleiding van het gesprek met het bestuur bepaalt de inspectie of en hoe zij de situatie moet onderzoeken.

Het uitgangspunt van de vorige onderzoekskaders én de nieuwe onderzoekskaders is bestuursgericht. In de nieuwe onderzoekskaders ligt de focus nog meer op de verantwoordelijkheid van besturen voor de kwaliteit van de scholen en op het financieel beheer. De inspectie blijft proportioneel toezicht houden. Het toezicht is intensiever waar het moet, en daarnaast gericht op de ambities van het bestuur. De inspectie hanteert voor besturen een apart ‘’Waarderingskader besturen’’. Daarnaast is er een apart ’Waarderingskader scholen.’’ Het waarderingskader besturen heeft één kwaliteitsgebied: Kwaliteitsgebied besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA) dat bestaat uit drie standaarden.

Nieuw: Integratie van kwaliteit en financieel beheer

Het vorige onderzoekskader kende in het waarderingskader een apart kwaliteitsgebied Financieel beheer naast de kwaliteitsgebieden Onderwijsproces, Schoolklimaat, Onderwijsresultaten, Kwaliteitszorg en ambitie. Het Kwaliteitsgebied Financieel beheer bestond uit de standaarden continuïteit, doelmatigheid en rechtmatigheid. Op enkele standaarden van dit kwaliteitsgebied gaf de inspectie geen oordeel, wegens ontbrekende onderliggende wetgeving. Inmiddels is die wetgeving er wel. Continuïteit is een bekostigingsvoorwaarde en ook moet een bevoegd gezag evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen voorkomen. De criteria wanneer van evident ondoelmatige aanwending van beschikbare (financiële) middelen sprake is, worden momenteel in een algemene maatregel van bestuur uitgewerkt. De inspectie kan voortaan vanuit het nalevingstoezicht een oordeel geven en herstelopdrachten geven.

Nieuw is dat de standaard financieel beheer is geïntegreerd in ieder van de drie standaarden van het Kwaliteitsgebied besturing, kwaliteitszorg en ambitie (BKA): Visie, ambities en doelen (BKA1), Uitvoering en kwaliteitszorg (BKA2) en Evaluatie, verantwoording en dialoog (BKA3). Het oordeel Goed op bestuursniveau wordt volgens de Onderzoekskaders door de inspectie gegeven indien twee standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie Goed zijn en de derde ten minste Voldoende is. Het oordeel Voldoende wordt gegeven indien alle drie de standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie ten minste Voldoende zijn. Het oordeel Onvoldoende wordt gegeven indien een of meer standaarden uit het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie Onvoldoende is/zijn. Met dien verstande dat  - volgens de Onderzoekskaders - het niet voldoen aan een deugdelijkheidseis van financiële continuïteit of rechtmatigheid in alle gevallen leidt tot een herstelopdracht voor het bestuur. Dit geldt ook als de jaarstukken van het bestuur niet zijn ingediend zoals wettelijk vereist is. De mate waarin het oordeel of waardering van de betreffende standaard binnen het kwaliteitsgebied Besturing, kwaliteitszorg en ambitie wordt aangepast is afhankelijk van de ernst van de tekortkoming.

Nieuw: Burgerschapsopdracht vernieuwd

Met ingang van 1 augustus 2021 geldt nieuwe wetgeving voor de burgerschapsopdracht. Scholen dienen op een doelgerichte, samenhangende en herkenbare manier bij hun leerlingen kennis over de basiswaarden van de democratisch rechtsstaat te bevorderen en hen de sociale en maatschappelijke competenties te laten ontwikkelen die nodig zijn voor het samenleven in een democratische rechtsstaat. De wet vraagt ook dat de basiswaarden op school zichtbaar zijn, dat leerlingen daarmee kunnen oefenen en dat de school een omgeving biedt waarin iedereen zich geaccepteerd en veilig voelt. De inspectie beoordeelt of scholen en instellingen aan deze wettelijke eisen voldoen en of het bestuur haar zorgplicht invult. Deze beoordeling is integraal onderdeel van het inspectietoezicht. De manier waarop de inspectie toeziet op het realiseren van de burgerschapsopdracht door besturen, scholen is vastgelegd met kwaliteitsstandaarden in de Onderzoekskaders (Waarderingskader scholen). Burgerschap kan op veel verschillende manieren worden ingevuld door scholen. Er is niet één goede manier waarop dat kan. De inspectie verwacht dat onderwijs en onderzoek in de komende jaren meer zicht geven op effectieve manieren van burgerschapsonderwijs. De inspectie heeft aangekondigd dat zij daar met het toezicht bij zal aansluiten, in goed overleg met de scholen/instellingen, minister en samenleving.

Vernieuwd: stelseltoezicht

De taak van de inspectie om toezicht te houden op het onderwijsstelsel (‘’stelseltoezicht’’) krijgt meer aandacht in de nieuwe Onderzoekskaders. De inspectie hanteert voor het stelseltoezicht een raamwerk waarin de drie kernfuncties van het onderwijs, namelijk kwalificatie, socialisatie en allocatie, waaronder selectie en gelijke kansen zijn uitgewerkt. Voor schoolbesturen betekent dit in de praktijk dat de inspectie themaonderzoeken zal uitvoeren en open gesprekken met besturen zal voeren over relevante kernfuncties en hun ambities. Dit raamwerk is als bekostigingsvoorwaarden niet bindend voor schoolbesturen en de inspectie spreekt geen oordeel uit. Jaarlijks rapporteert de inspectie in ‘De Staat van het Onderwijs’ hoe het met de kernfuncties en voorwaarden van het onderwijsstelsel is gesteld.

Nieuw: Duidelijker verschil tussen waarborgen en stimuleren

Sinds 2017 wordt in het inspectietoezicht een duidelijker verschil gemaakt tussen het naleven van de wet (waarborgen) en het bevorderen (stimuleren). Bij het nalevingstoezicht (waarborgen) beoordeelt de inspectie of besturen en scholen aan de wettelijke (deugdelijkheids)eisen voldoen. Bij het stimulerend toezicht richt de inspectie zich op de ambities die besturen en scholen hebben voor het onderwijs aan de leerlingen. Voorbeelden van ambities zijn niet opgenomen. Daarmee wil de overheid de open invulling van de verantwoordelijkheid voor ambities door besturen en scholen benadrukken. ’Eigen aspecten van kwaliteit’ komen in de nieuwe onderzoekskaders niet meer voor.

Mocht naar aanleiding van deze highlight interesse bestaan in nadere informatie, dan kun je contact opnemen met Thérèse Penders en Arditza de Groot (afdeling Juridische Zaken).  

Dienstverlening burgerschap

Om je bij te staan bij de aangescherpte burgerschapsopdracht, hebben we een uitgebreide dienstverlening voor jou klaarstaan. Denk aan een sparringsgesprek, het Burgerschapskompas, de startmodule pedagogische burgerschapsvorming of een teamtraining pedagogische burgerschapsvorming voor het VO.

Bekijk aanbod

PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs