U bent hier

Nieuwe onderwijshuisvesting? Let op wat u investeert!

U overlegt met de gemeente over nieuwe huisvesting. Daarbij gaat het gesprek ook over een bijdrage van uw schoolorganisatie in (vervangende) nieuwbouw. Er ís een investeringsverbod in het primair onderwijs. Hoe dat werkt, legt advocaat Elise Visser u uit.

In veel gemeenten wordt gewerkt aan een nieuw Integraal Huisvestingsplan onderwijshuisvesting (IHP). In het overleg met de schoolbesturen over een nieuw IHP wordt ook de discussie over eigen bijdragen van schoolorganisaties in (vervangende) nieuwbouw steeds vaker gevoerd. Uiteraard speelt dan de vraag of deze discussie wel gevoerd zou moeten worden; nieuwbouw is immers een voorziening die de gemeente hoort te bekostigen en waarvoor zij dan ook de middelen van het Rijk in haar gemeentefonds ontvangt. Soms is de bereidheid om over eigen bijdragen te spreken er wel, met name als dit meer mogelijk maakt dan wanneer ieder zich strikt aan zijn of haar rol houdt, bijvoorbeeld bij het tot stand brengen van huisvesting van een integraal kindcentrum. Maar hoe zit het dan ook weer met het investeringsverbod in het primair onderwijs?

Investeringsverbod in het primair onderwijs

De rijksbekostiging, die op grond van artikel 148 lid 1 Wpo bij wijze van subsidie aan een schoolorganisatie wordt verstrekt, mag uitsluitend worden aangewend voor kosten van de in dat artikellid omschreven doeleinden. Dit zijn kortgezegd de in artikel 114 Wpo bedoelde materiële instandhouding en personeelskosten. Investeringen in voorzieningen die voor rekening van de gemeente komen, waaronder nieuwbouw van een schoolgebouw, vallen hier niet onder.

Voormalig staatssecretaris Dekker gaf eerder in de Kamer aan dat investeren in duurzaamheidsmaatregelen wat hem betreft mogelijk is, mits het gaat om een redelijk bedrag dat zich in redelijke termijn laat terugverdienen. De wet is op dit punt sindsdien echter niet gewijzigd. Het is daarom niet helemaal helder waar de grenzen liggen. Duidelijk is wel dat de gemeente voldoende middelen ter beschikking moet stellen om een schoolgebouw te realiseren dat voldoet aan de eisen van het bouwbesluit.

De praktijk leert dat als het schoolbestuur daarbovenop vrijwillig wil investeren in duurzaamheidsmaatregelen en het betreft een beperkt bedrag dat binnen 10 à 15 jaar is terug te verdienen, de inspectie hier doorgaans geen probleem mee heeft.

Uitspraak Rechtbank Oost-Brabant

Een recente uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant bevestigt de akelige gevolgen waarmee schoolbesturen geconfronteerd kunnen worden als zij het verbod van artikel 148 Wpo verkeerd interpreteren en in strijd daarmee handelen.

Een schoolbestuur, een gemeente en een woningbouwcorporatie spreken in 2008 af dat zij een speelleercentrum realiseren. De gemeente zou bijdragen aan de onderwijshuisvesting en de woningbouwcorporatie aan extra ruimte voor kinderopvang. De schoolorganisatie zou geen financiële bijdrage leveren.

Maar als in 2012 de bouw van het speelcentrum is gestart, geeft de woningbouwcorporatie aan dat het haar dan pas duidelijk is geworden dat de kinderopvang zal worden geëxploiteerd door een aan de schoolorganisatie verbonden onderneming. De woningbouwcorporatie geeft aan dat het voor haar wettelijk niet mogelijk is te investeren in een private onderneming en trekt haar financiële bijdrage terug.

Het schoolbestuur raadpleegt zijn instellingsaccountant over de vraag of het “is toegestaan om met publieke middelen mede huisvestingsfaciliteiten te doen bouwen ten behoeve van voor- en naschoolse opvang en/of peuterspeelzalen.” De accountant geeft in zijn advies aan dat aanvullende investeringen in de huisvesting door de schoolorganisatie toelaatbaar zijn voor zover deze afkomstig zijn uit de opgebouwde reserve voor 1 augustus 2006. Het schoolbestuur besluit vervolgens te investeren in de bouw van het speelleercentrum en de aanschaf van de daarvoor benodigde grond.

De minister vordert terug; het schoolbestuur gaat procederen

Helaas voor het schoolbestuur vordert de minister enkele jaren later het geïnvesteerde bedrag terug. Het schoolbestuur gaat in bezwaar en daarna in beroep tegen dit besluit.

Het schoolbestuur voert een aantal verweren. Volgens hem gaat de minister er ten onrechte vanuit dat het gehele teruggevorderde bedrag onrechtmatig is besteed. Verder wijst het schoolbestuur er o.a. op dat, voor zover het subsidiegelden heeft gebruikt voor de kinderopvang, deze gelden via de door de kinderopvangorganisatie aan de schoolorganisatie te betalen huur worden terugverdiend.

Oordeel rechtbank

De rechtbank oordeelt dat het schoolbestuur de aan de schoolorganisatie verstrekte subsidie voor andere doeleinden heeft aangewend dan die in artikel 114 Wpo worden genoemd. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat de subsidie niet is aangewend overeenkomstig artikel 148 lid 1 Wpo.

Wat betreft het verweer van het schoolbestuur dat de investering terug werd verdiend uit de huurinkomsten, is de rechtbank kort: Nu vaststaat dat de rijksbekostiging niet rechtmatig is besteed, mocht de minister de onrechtmatig bestede rijksbekostiging als onverschuldigd betaalde bedragen van de schoolorganisatie terugvorderen en kan deze stelling van het schoolbestuur aan dit oordeel niet afdoen. Voor een analogie op het hiervoor genoemde standpunt van voormalig staatssecretaris Dekker voor wat betreft duurzaamheidsmaatregelen is dus geen plaats.

De rechtbank overweegt verder nog dat zij er niet aan voorbij ziet dat de schoolorganisatie een groot belang had bij de (af)bouw van het speelleercentrum in de door haar gewenste vorm, ook toen de financiële steun van de woningbouwcorporatie aan het project wegviel. De rechtbank twijfelt ook niet aan de stelling dat het schoolbestuur daarbij steeds het belang van de leerlingen voorop heeft gesteld. Dit verandert volgens de rechtbank echter niets aan het feit dat de Wpo, noch het door de minister gevoerde (buitenwettelijk begunstigend, waarover hieronder meer) beleid aan eiser ruimte bieden om het ontstane financiële gat als gevolg van het wegvallen van de genoemde financiering te dichten met de zijn verstrekte rijksbijdrage.

Reserves van voor 1 augustus 2006

Hoe zit het dan met investeringen die gedaan zijn met de voor 1 augustus 2006 opgebouwde reserve, gelet op wat de accountant op de vraag van het schoolbestuur antwoordde?

Dit antwoord ziet op het zogenaamd ‘buitenwettelijk begunstigend beleid’ zoals beschreven in De Handreiking controle en onderzoek Sector PO en VO 2010. Deze Handreiking laat het onder omstandigheden – dus bij wijze van uitzondering op artikel 148 Wpo - toe om onderwijshuisvesting door middel van de rijksbekostiging te bekostigen:

Het gaat hierbij om uitgaven van het schoolbestuur in aanvulling op de uitgaven van de gemeente. De huisvestingsnoden of -wensen van een schoolbestuur kunnen uitgaan boven wat een gemeente redelijk acht. Hierbij kan worden gedacht aan een fraaiere of milieubewustere uitvoering van de huisvesting of extra inpandige voorzieningen. Als dit aan de orde is en de kosten kunnen worden gedekt uit de tot 1 augustus 2006 opgebouwde reserves, kan de instellingsaccountant de uitgaven als rechtmatig aanmerken. Het gaat dus niet om uitbreidingsinvesteringen zoals extra leslokalen. Die zijn niet toegestaan. Vanzelfsprekend mag een bestuur ze wel bekostigen uit het private vermogen.

In de casus was hier geen sprake van; het schoolbestuur had geïnvesteerd in extra ruimte ten behoeve van de kinderopvangorganisatie. Ook is volgens de rechtbank niet gebleken dat de huisvestingsnoden of -wensen van eiseres uitgaan boven wat de gemeente redelijk achtte. Daarmee staat vast dat het schoolbestuur de subsidie niet heeft aangewend overeenkomstig de Handreiking.

Conclusie

Hoe financieel gezond uw organisatie ook is en hoe mooi en goed de investering ook voor de school zou zijn, laat u niet verleiden om rijksbekostiging te besteden buiten de hierboven aangegeven kaders. Het gevolg kan immers zijn dat u de gelden twee keer kwijt bent; 1 keer in de investering en 1 keer in verband met de korting op de nog te ontvangen bekostiging.

PO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs