U bent hier

Nederland blijft achterlopen met onderwijsuitgaven

In vergelijking met veel andere rijke landen blijft Nederland achterlopen als het gaat om uitgaven voor onderwijs. Dit blijkt uit de publicatie 'Education at a Glance 2008', een jaarlijks vergelijkend overzicht van de onderwijsstelsels in de landen van de Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling).

In vergelijking met veel andere rijke landen blijft Nederland achterlopen als het gaat om uitgaven voor onderwijs. Dit blijkt uit de publicatie 'Education at a Glance 2008', een jaarlijks vergelijkend overzicht van de onderwijsstelsels in de landen van de Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling).

Tekst: Emmanuel Naaijkens

In dat rapport wordt onder meer gekeken naar hoeveel geld een land besteedt aan onderwijs, in relatie tot het bruto nationaal product (bnp). Dit wordt ook wel de Oeso-norm genoemd. In 2005 was deze norm voor Nederland 5%, het jaar daarvoor was dat 5,1%. Het gemiddelde in de Oeso-landen lag op 6,1% en in de Europese Unie op 5,5%. In de landen als België, Frankrijk, Groot-Brittannië en Finland lag dit percentage op 6% of hoger. Ruim twintig jaar geleden noteerde Nederland nog een norm van 6,5% van het bnp en in 1975 zelfs 8%.

Minister Plasterk wijst er in een brief aan de Tweede Kamer over Education at a Glance overigens op, dat in de periode 1995 - 2005 de onderwijsuitgaven als percentage van de totale overheidsuitgaven zijn gegroeid van 8,9% tot 11,5 %.

Jo Ritzen, minister van Onderwijs in de jaren negentig, verdedigde zich tijdens zijn ministerschap tegen de kritiek op de toen ook al lage Oeso-norm met de opmerking dat 'het Nederlands onderwijssysteem sober maar doelmatig is'. De cijfers in de jongste uitgave van Education at a Glance lijken dat te bevestigen.

Qua onderwijsprestaties zit Nederland nog altijd in de kopgroep. Nederlandse leerlingen op 15-jarige leeftijd scoren bijvoorbeeld internationaal bovengemiddeld wat leesvaardigheid betreft, blijkt uit de resultaten van het driejaarlijks PISA-onderzoek. Ook op het gebied van wiskunde en natuurwetenschappen doen de Nederlandse scholieren het prima. Met de kanttekening dat er sprake is van een lichte daling ten opzichte van het PISA-onderzoek in 2003. Voor minister Plasterk rechtvaardigt dit beeld de inzet van het kabinet voor het verbeteren van het taal- en rekenonderwijs.

Uit het Oeso-onderzoek blijkt verder dat Nederlandse leerlingen in het primair onderwijs aanzienlijk meer les krijgen dan in landen als Frankrijk, Engeland, België, Duitsland of Finland. En de meeste aandacht in het curriculum gaat uit naar de eigen taal. Daar staat tegenover dat kinderen op de Nederlandse basisscholen minder uren rekenonderwijs krijgen dan in veel andere landen. Ook in het voorgezet onderwijs krijgen Nederlandse scholieren meer lesuren dan hun leeftijdgenoten in andere landen.

Nederland komt gunstig uit de bus als het gaat over de deelname van jongeren aan het onderwijs. In de leeftijdscategorie 20 - 24 jaar ligt dat voor ons land op 50%. Het Oeso-gemiddelde bedraagt 40% en het EU-gemiddelde 42%. Bovendien is het aandeel jongeren in deze leeftijdsgroep dat geen onderwijs en ook geen baan heeft erg laag met 2,1%. (Oeso-gemiddelde 7,3%, EU-gemiddelde 8,1%). Minder goed presteert Nederland wat betreft het aantal afgestudeerden in bèta/techniek, met name meisjes zijn zwaar ondervertegenwoordigd.

Minister Plasterk maakt in zijn brief aan de Kamer wel de kanttekening dat de cijfers uit Education at a Glance met enige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd, aangezien de onderwijsysstemen in de deelnemende landen van elkaar verschillen. En de meeste cijfers die ten grondslag liggen aan de vergelijkingen dateren van 2005 en 2006.

Download

WO | HBO | MBO | PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs