U bent hier

Meer overheidsbemoeienis met burgerschapsvorming brengt nog geen betere burgers

Ruim twee weken geleden sloeg De Telegraaf alarm over de overdracht van de Nederlandse waarden in het onderwijs. “De scholen falen [daarin] hardnekkig”, aldus de krant, die naar een rapport van de onderwijsinspectie verwees. De daarin geventileerde kritiek noemde het blad “vernietigend”. Maar wie het rapport eens tot zich neemt, komt tot een andere slotsom. De inspectie weet eigenlijk niet of het met burgerschapsvorming wel zo slecht gesteld is. 

Nico Dullemans

Het inspectierapport heet Burgerschap op school. Eronder staat dat het een “beschrijving [is] van burgerschapsonderwijs en de maatschappelijke stage.” Het kwam in december van het vorig jaar gereed, waarna het rapport door het ministerie is bestudeerd en er een brief van de minister en de staatssecretaris werd opgesteld. Begin deze maand was het zover, het rapport en de brief werden naar de Tweede Kamer gestuurd, niet nadat besloten was een bepaalde krant de primeur te geven. Kennelijk moest er politieke munt uit worden geslagen.

Kritiek op huidige wet 

De inspectie zelf beschrijft de situatie van de burgerschapsvorming in tamelijk rustige bewoordingen. Volgens haar voldoen de scholen aan de wet, maar deze is erg algemeen gesteld, zoals ook het geval is met de kerndoelen. Het gaat over de verwerving van sociale en maatschappelijke competenties, zoals respect hebben voor algemeen aanvaarde waarden en normen. Specifieker is de wet niet. 

De inspectie wil daarom dat de wetgever de scholen gaat voorschrijven waar de burgerschapsvorming over moet gaan en hoe ze tot stand gebracht moet worden. Pas daarna kan er behoorlijk geïnspecteerd worden.

Bescheiden onderzoek burgerschapsvorming

Wat overigens opvalt, is dat de situatiebeschrijving steunt op het bezoek van de inspectie aan een beperkt aantal scholen, om precies te zijn: 33 basisscholen, 10 scholen voor speciaal onderwijs, 14 vo-scholen en 10 mbo-instellingen. Dit is aangevuld met de interviews met schoolleiders en leraren, uitgevoerd door een tweetal onderzoeksbureaus. De bereidwilligheid om daaraan deel te nemen was niet overweldigend, met name in het basisonderwijs toonden de mensen weinig belangstelling. Uiteindelijk waren 233 scholen betrokken, waaronder de groep die door de inspectie is bezocht. 

De inspectie meent dat dit een “goede doorsnede van het scholenbestand” is, maar het kan geen kwaad het onderzoek nog eens over te doen en dan meer scholen te bezoeken. Een herhalingsonderzoek is zeker nodig als een belangrijke verandering van de wet wordt overwogen, die de invloed van de overheid op het onderwijs sterk zou vergroten. En zo’n verandering is inderdaad het plan.

Overdracht van waarden bij wet

In de brief aan de Tweede Kamer staat dat burgerschap over waarden gaat, die betrekking hebben op de democratische rechtsstaat (zoals die in Nederland vorm heeft gekregen). En verder wordt gedoeld op de gemeenschappelijke tradities, de cultuur en de taal. Het is de bedoeling dat de leerlingen daarover leren. Verder moeten zij een democratische houding leren aannemen en “een moreel kompas ontwikkelen”. Dit alles wordt in de brief de basiswaarden van de Nederlandse rechtsstaat genoemd en het plan is deze in de onderwijswetten op te nemen. 

Vervolgens moeten deze waarden een belangrijke plaats krijgen in het lesprogramma. Dit betekent dat ze moeten worden omgezet in doelen die betrekking hebben op de kennisverwerving van aspecten van het Nederlandse politieke bestel, de internationale rechtsorde, maar ook op kennis omtrent hantering van conflicten. In de brief staat dat deze uitwerking van de burgerschapsvorming een van de eerste thema’s zal zijn van de algehele herziening van de wettelijke kerndoelen en de eindtermen, officieel de ‘herziening van het curriculum’ genoemd. (Overigens kennen wij geen nationaal of formeel curriculum. Een school heeft een eigen lesprogramma, waarin de kerndoelen en de eindtermen als een richtsnoer worden gebruikt.)

Ten slotte, het derde punt dat in de wet moet worden opgenomen, wordt in de brief ‘aspecten van kwaliteitszorg’ genoemd. Hiermee wordt een planmatige aanpak van de school bedoeld, waar het volgens de inspectie nu aan ontbreekt.

Dit zo alles bij elkaar betekent een aanzienlijke uitbreiding van de invloed van de overheid op de inhoud en de praktische organisatie van het onderwijs. Maar hoe nuttig is dit allemaal?

De school (ook) zien als een oefenplaats

Burgerschapsonderwijs, zoals het in de brief heet, moet toch vooral als vorming worden opgevat. De hoop is erop gevestigd, dat de jonge mensen tijdens hun schooltijd met voldoende leraren in aanraking zijn gekomen, die tijdens kwetsbare momenten en bij de behandeling van gevoelige onderwerpen het goede hebben weten te doen, de juiste toon hebben getroffen, empathie hebben getoond. Dat zijn dan de momenten geweest waarop gevoelens over en weer positief zijn geweest. Momenten die ‘zomaar’ ontstonden en waarop iedereen of bijna iedereen zich als persoon competent voelde om tot een beter inzicht te komen en tot een afgewogen oordeel. Met vallen en opstaan wordt dan indirect gewerkt aan wat een democratische geest genoemd mag worden. De school is op die momenten een oefenplaats geweest. 

Zo bezien is burgerschapsvorming zeker geen kwestie van het bezitten van competenties. Het is geen training.

Bedenk daarbij dat de positie van de leraar altijd moeilijk is en soms zelfs netelig. Dat heeft met de aard van het beroep te maken. Leraren willen jonge mensen in feite verbeteren, maar verkeren continu daarover in onzekerheid. Dit is mede een gevolg van hun afhankelijkheid en invloed van hun leerlingen. Regelmatig voelen leraren zich in tegengestelde richtingen getrokken worden. Tussen dat wat formeel moet en wat - misschien - kan. Het komt op die momenten aan op hun unieke vakmanschap, om in moeilijke situaties toch weer een aanpak te vinden. (David K. Cohen, Teaching and its predicaments, 2011 en Gert Biesta e.a. Leraar, hoe doe jij dat? Vakmanschap in beeld, in druk, maart 2017).

De bedachte school 

Wat stellen de bewindslieden en de inspectie hier tegenover? Een bedachte school. Dat is de school waarin de schoolleider de initiatiefnemer is, de richting aangeeft en een proces op gang brengt dat tot burgerschap van de leerlingen moet leiden. De leerlingen worden onderzocht op hun ‘burgerschapscompetenties’, waarna een programma wordt aangeschaft waarmee deze kunnen worden aangeleerd. Op gezette tijden worden zij gecontroleerd op hun vooruitgang. De vakken worden aangepast. Er wordt zo school-breed gewerkt, zoals dat heet. Er is nu één lijn. 

Volgens de inspectie is dit de manier waarop het met het burgerschapsonderwijs goed komt. Een methodische werkwijze, een methodiek waarmee het minder afhankelijk wordt van de individuele docent, zo is de veronderstelling. Want dat is een van de klachten van de inspectie: zonder planmatige aanpak van burgerschapsvorming is ze te afhankelijk van de leraar. 

In deze opvatting schuilt het gevaar dat de methode te veel de aandacht krijgt en de ruimte die de leraar tenslotte nodig heeft, beperkt wordt. 

Bovendien raakt het onderlinge gesprek tussen leraren en tussen leraren en schoolleiding over de vraag aan wat voor soort samenleving hun school wil bijdragen, over het waartoe van burgerschapsvorming, daarmee op de achtergrond. En juist dit gesprek vormt zo’n belangrijk onderdeel van het komen tot een zelf gevoelde opdracht tot burgerschapsvorming. Het gesprek tussen leraren onderling kan van groot belang zijn voor wat er uiteindelijk in de klas mogelijk is.
  
Maar als we hieraan voorbij gaan, kan het gebeuren dat een school een net cijfer van de inspectie krijgt omdat ze school-breed aan de competenties van de leerlingen werkt, maar dat in de rauwe praktijk haar leerlingen te weinig vormende momenten hebben meegemaakt. Domweg omdat hun leraren zich in de richting van een methode hebben laten trekken. 

 

Rondom Burgerschapsvorming

Verus organiseerde tweemaal een rondetafelgesprek voor mensen in het voortgezet onderwijs, die betrokken zijn bij burgerschapsvorming. 

PO | VO | MBO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs