U bent hier

Ledencommissie Verus spreekt met de onderwijsinspectie

De commissie Maatschappelijke Agenda van Verus sprak vorige week met inspecteur-generaal Alida Oppers. Het was een openhartig gesprek over de manier waarop de inspectie onderwijstoezicht heeft georganiseerd en over de recent verschenen Staat van het Onderwijs.

Het moment had niet beter gekozen kunnen worden. Vlak na het na advies van de Onderwijsraad over extern toezicht, een dag na het congres van de Staat van het Onderwijs en op de dag dat het masterplan basisvaardigheden werd gepubliceerd, sprak de commissie Maatschappelijke Agenda met inspecteur-generaal Alida Oppers en strategisch inspecteur Geurt van Hardeveld. Aanleiding voor dit gesprek was de regelmatig terugkerende discussie over de inspectie in de commissie wat uiteindelijk resulteerde in de opmerking ‘laten we ze maar eens uitnodigen’.

Sterke focus op de bestuurder

De discussie in de ledencommissie ging vooral over de sterke focus op de bestuurder bij het toezicht van de inspectie. Welke bijdrage levert het bestuur of de bestuurder aan de kwaliteit van het onderwijs? Is er een directe lijn tussen het handelen van de bestuurder en wat er in de klas gebeurt of ligt het allemaal wat ingewikkelder? In het evaluatierapport over het vernieuwde toezicht wordt de Inspectie opgeroepen de wetenschappelijke basis onder haar visie op de sturing door de bestuurder en de invloed daarvan op de kwaliteit, te herzien.

De inspectie richt haar toezicht op besturen, scholen en het stelsel en is op zoek naar een goede balans tussen de verschillende toezichtsvormen zodat zij maximaal effectief is. De opdrachten aan de Inspectie uit het coalitieakkoord worden hierbij betrokken. De ervaring werd gedeeld dat we allemaal ons te verhouden hebben tot een maatschappelijk klimaat dat in het teken staat van juridisering en behoefte aan onzekerheidsreductie. Ook werd aan Verus gevraagd hoe het beter kan.

We spraken eveneens over de wisselende ervaringen die bestuurders hebben en over de ruimte die er is om invulling te geven aan de eigen identiteit. De inspectie gaf aan dat er veel aandacht uitgaat naar de scholing van inspecteurs zodat er in vergelijkbare situaties een identiek oordeel wordt gegeven. Daarnaast zijn de inspecteurs zich goed bewust van een negatief oordeel. Voor de school, maar ook als mogelijke opmaat voor juridische procedures. Ruimte voor invulling van eigen identiteit is er voldoende, aldus de inspectie. De wet is het enige kader waaraan zowel onderwijsorganisaties als de inspectie zich moeten houden. Vanuit de commissie werd daarover gezegd, dat de ogenschijnlijke objectiviteit van de kaders juist erg normatief is, en in vele opzichten gedrag stuurt. De eigen visie van de school zou niet alleen betrekking moeten hebben op wat overblijft aan ‘eigen ruimte’, maar op het gehele onderwijs.

Belemmeringen

De wet vormt in de ogen van de inspectie soms ook een belemmering om met een compact kader te komen. In de huidige onderzoekskaders zijn alle standaarden onderbouwd met verwijzingen naar de sectorwetten, waardoor de lees- en werkbaarheid niet optimaal is.

Het gesprek over de basisvaardigheden maakte duidelijk dat het de inspectie zeker niet te doen is om versmalling van het onderwijs. Wel om een scherpere focus aan te brengen en scherper te bepalen wat je als school wel doet en vooral ook niet meer doet.

De Inspecteur-generaal gaf aan het gesprek zeer waardevol te vinden, en deed de suggestie elkaar over een jaar opnieuw te ontmoeten.

PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs