U bent hier

Lectoraat Thomas More pabo: over de marinade van lesgeven

Terwijl Verus een onderwijsdiscussie is gestart in verband met het breed gevoelde onbehagen op scholen, zijn er – hoopvol genoeg – krachten werkzaam die iets aan de negatieve stemming willen doen. Neem bijvoorbeeld het lectoraat dat dr. Hester IJsseling bekleedt. Haar opdracht is ‘hart en ziel’ van het leraarschap te belichten.

Onzeker onderwijs

Het is de Thomas More Hogeschool geweest die een lectoraat startte dat over de zachte kanten van het leraarsberoep gaat. Om verschillende redenen dreigt dit vak nogal instrumenteel te worden opgevat. Onderwijs loopt het gevaar te worden benaderd als een mechanisch interventieproces: plan, do, check and act.

Met dit lectoraat (dat met steun van Verus tot stand kwam) wordt nu juist de aandacht gevestigd op de onzekerheid die het schoolse leven zo kenmerkt, de onverwachte gebeurtenissen, klein en groot. Hoe gaan leraren daarmee om? Welke betekenis hechten ze aan het onvoorspelbare? En, wat zou daarover verder nog gezegd kunnen worden? Dat zijn de vragen die deze Rotterdamse pabo zich stelt.

Doenerig onderwijs

Het lectoraat kreeg de naam Professionaliseren met hart en ziel. Hester IJsseling werd anderhalf jaar geleden tot lector benoemd. Zij is een voormalig wetenschapper en oud-leraar. IJsseling is een gepromoveerd filosoof. Haar proefschrift ging over voorwoorden van Hegel, Kierkegaard en Nietzsche in relatie tot de filosofie van Derrida.

Ontgoocheld door de verwording van de academische cultuur koos zij op zeker moment voor het basisonderwijs, waar zij veertien jaar lesgaf en intern begeleider was. Ze vertelt: “Ik verwachtte daar meer in de wereld te staan. En dat bleek wel, maar ik heb mij er ook op verkeken. Ik dacht dat het een beroep was waarnaast ik, als filosoof, ook zou kunnen blijven schrijven. Maar het werk bleek uitputtend.” Het ging haar ook niet gemakkelijk af. Ze zegt een ‘filosofiemens’ te zijn, een denker, “niet iemand die snel en ad rem handelt en dat maakt het lesgeven lastig.”

De overgang van universiteit naar basisschool leidde bovendien tot een cultuurschok. Ze zegt: “Van meet af aan heb ik een gevoel van vervreemding gehad. De manier waarop er over het werk gesproken werd, was zo instrumenteel, zo overmatig doenerig en zo weinig nadenkend. Ik schrok ervan dat mijn collega’s genoegen leken te nemen met een rol als uitvoerder van beleid.”

Zoektocht

Deze ervaring van vervreemding bracht IJsseling ertoe op zoek te gaan naar de kern van het leraarschap. De eerste bij wie ze vond wat ze zocht, was Theo Thijssen (1879-1943), iemand die heel fijnzinnig over onderwijs heeft geschreven, zoals in De gelukkige klas. Behalve auteur was Thijssen onderwijzer en politicus.

Zij vervolgt: “Ik las beleidsstukken, vakliteratuur, uitgaven van de Onderwijsraad, maar daarin vond ik niet belicht waar Thijssen over schreef: de relatie, de kleine, tactvolle interacties, de aandacht en liefde van een leraar voor de kinderen in zijn klas, maar ook de ironie ten aanzien van de regeldrift van buiten. Juist dit is de ziel van het onderwijs, maar het wordt in de officiële stukken niet benoemd.

Thijssen heeft het precies door: wat je doet als leraar, dat moet echt van jóu zijn! Als intern begeleider sprak ik met leraren de handelingssuggesties van de orthopedagoog door, hoe om te gaan met een ‘moeilijk’ kind. Regelmatig kreeg ik naderhand te horen dat er geen verandering bij de leerling was opgetreden. Dat dankje de koekoek. Met die tools alleen ben je er niet, je moet iemand zijn! Je moet niet denken: wat een hopeloos geval, geef me gereedschap – je moet proberen een relatie met een kind op te bouwen. De vraag is: heb je vertrouwen in de mogelijkheden van dat kind.”

IJsseling vond uiteindelijk onderdak bij Gert Biesta, die in zijn denken over onderwijs grote waarde toekent aan het vraagstuk hoe je als leraar bij een leerling het verlangen kunt prikkelen om volwassenen te willen worden. Biesta noemt dit ‘subjectivering’ of ook: de pedagogische dimensie.  

“Hoe zie je dit in de klas?”, zo vraagt zij zich af, “Waar zit hem de kneep?” Zij spreekt daar intensief over met leraren en lerarenopleiders, en zoekt samen met hen naar nieuwe onderwijspraktijken. Een en ander zal op den duur in publicaties uitmonden. Het ziet ernaar uit dat het niet vraagt om kennis van het hoofd, maar dat het iets is dat je doet vanuit je hart.

Ontdekking 

IJsseling signaleert dat over Biesta’s begrip subjectivering (ook wel persoonsvorming) een Babylonische spraakverwarring is ontstaan, waar zij iets aan wil doen. Ze wil dit begrip zichtbaar maken en het perspectief op de pedagogische dimensie openen, zonder dat het ontaardt in de ontwikkeling van een meetinstrument.

Met elkaar in gesprek gaan over onderwijservaringen is een manier om dat perspectief te openen. Gaandeweg ontdekte zij op de katholieke Thomas More Hogeschool dat een religieus denkkader daarbij behulpzaam kan zijn. Leven van wat komt van Erik Borgman heeft haar geïnspireerd, en ook Een parel in Gods ogen van Henri Nouwen. Zij zegt: “Het lijkt in seculiere kringen nauwelijks nog denkbaar dat iets van betekenis zou kunnen zijn zonder dat je het zou kunnen meten, maar een begrip als ‘genade’ maakt het mogelijk om iets heel essentieels en moeilijk grijpbaars in de pedagogische relatie te benoemen. Er is wel een zekere voorzichtigheid geboden om verbanden te leggen met een religieus denkkader, omdat je daarmee een belangrijk deel van je gehoor kunt verliezen dat denkt: ik ben niet van die club. Ik wil geen hekjes plaatsen maar luiken openen.”

Toewijding

Zij vervolgt: “Het is mijn bedoeling het perspectief te openen op de pedagogische dimensie. Het lerarenberoep is relationeel van karakter en dat lijkt men niet altijd goed te beseffen, maar met goede vragen probeer ik dat aan licht te brengen. Dan herkennen mensen wel dat pas dankzij de relatie die de leraar met leerlingen heeft, onderwijs mogelijk is. Met leraren praat ik over hun ervaringen en uit die hele concrete situaties komt telkens weer naar voren dat het allemaal begint met vertrouwen en geduld en aandacht en toewijding.

Als leraar wil je kennis overdragen, maar een kind is zelf ook iemand die iets te brengen heeft. Goede leraren stemmen daarop af, die stellen zich open voor wat de kinderen meebrengen en verbinden dat met wat zij zelf met de kinderen op het oog hebben. Met andere woorden, die weten te leven van wat komt. Leraren begrijpen dat heel goed en ook dat alles wat ze doen erom draait dat een kind zijn plek in de wereld vindt. Het punt is, dat ze niet worden bevraagd op hoe ze daarin van betekenis zijn. Ze worden afgerekend op meetgegevens.”

“Een juf van een nieuwkomersklas vertelde: als ik een kind help de taal te leren, dan zie ik de mogelijkheden, maar de juf van de reguliere klas waar dit kind daarna naartoe gaat, die ziet de hiaten, want die kijkt naar de testresultaten. In het speciaal onderwijs lijken leraren meer vrijheid te hebben om aandacht te besteden aan de relatie, omdat de maatschappij van die kinderen het minst verwacht. Dat geeft te denken.”

PO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs