U bent hier

Ken uw wijk!

De meeste basisscholen staan midden in een woonbuurt, maar onderhouden daar weinig contact mee. Dat het ook anders kan – en misschien wel moet – blijkt in bijvoorbeeld Hoogeveen en Den Haag, waar de maatschappelijke problemen zich flink opstapelen. “We hebben de ouders en de buurt nodig om het voor de kinderen beter te krijgen.”

 

Tekst Bert van der Kruk

Op de hoek van de Juliana van Stolbergstraat ligt een hoop vuil: een nat vloerkleed, stukken karton en plastic. In het perkje rusten de restanten van een kinderledikant. Het afval ligt niet te wachten tot de gemeentereiniging komt, maar is hier zomaar gedumpt – dat voel je. Verderop in de straat staat in een voortuin een auto op het gras geparkeerd; vlak ernaast heeft iemand een handeltje in oud ijzer. Vanuit het welzijnswerk kent Bart Pijper de Verzetsbuurt in Hoogeveen goed. Het vuil op straat verbaast hem niet. “Het is hier de gewoonte van bepaalde mensen om hun rommel op straat te gooien. Je denkt dan: andere mensen moeten dat toch zien of er wat van zeggen? Of de gemeente bellen? Maar zo werkt het niet, dat past niet in de sociale code.”

Eigen bubbel

Midden in de buurt staat de Juliana van Stolbergschool, volgens directeur Sigrid Hartman “een echte wijkschool”. De wijk verrees kort na de oorlog en wordt op dit moment flink op de schop genomen. Tegenover de school verrijzen nieuwe woningen. De grotendeels autochtone bewoners hebben een hoop problemen – op relationeel, sociaal of financieel vlak (en soms op al die vlakken tegelijk). En er is geregeld wat aan de hand in de buurt. “Vorige week nog werd ik door de politie benaderd: of ze de school als observatiepost mocht gebruiken om een drugspand in de gaten te houden.”

Aan de rand van de wijk staan woningen uit de jaren ’30, waarin hoger opgeleide mensen wonen. De verschillende groepen bewoners vinden nauwelijks aansluiting bij elkaar, en willen dat soms ook niet. Tot verdriet van de gemeente Hoogeveen, die juist inzet op verbinding. Bart Pijper: “De groepen zitten in hun eigen wereldje, hun eigen bubbel. Ze spreken een andere taal. De beelden over en weer veranderen niet, omdat er nauwelijks contact is. Dus blijven we maar in die wij-zij-verhouding zitten.”

Positieve uitstraling

Sinds begin van dit leerjaar is Pijper op de Juliana van Stolbergschool als ‘gelukswerker’ aangesteld. Stichting Welzijnswerk Hoogeveen en scholenkoepel PricoH, waaronder de Juliana van Stolbergschool valt, bekostigen deze nieuwe functie (24 uur per week) samen. De gelukswerker – “we wilden graag een woord met een positieve uitstraling” – is in en om de school aanwezig om te praten met kinderen en legt relaties met ouders en de wijk. 

Het idee ontstond een jaar geleden tijdens een werkbezoek van allerlei Hoogeveense instanties aan Leeds, een oude Engelse industriestad met de nodige sociale problemen. Met een speciaal programma voor kinderen en jongeren (Restorative Practice) werken scholen en andere organisaties aan positieve verandering in de stad. Tegen die achtergrond verzuchtte Sigrid Hartman dat haar school al enorm geholpen zou zijn met iemand met wie de kinderen even kunnen praten als ze ’s ochtends op school komen.

Heilloze exercitie

Hartman: “Ik zie kinderen binnenkomen met een hoop stress en zorgen op hun nek. Bij binnenkomst laten ze soms het hoofd al zakken, als gevolg van de ruzies thuis of op het plein. Als die zorgen mee de klas in gaan, vergt dat veel van de leerkracht, die oog moet hebben voor de hele groep. En van het kind dat iets heel anders aan zijn hoofd heeft. Daar kunnen geen rekensommen in, dat is een heilloze exercitie. Eerst moet die ballast opgeruimd worden.”

Wat zou het mooi zijn, bedacht de schooldirecteur, als er iemand in school rondloopt naar wie je zo’n kind even kan sturen: “Huppakee, ga jij maar even naar Bart.” Zonder allerlei formulieren in te vullen en vooraf toestemming te vragen. Het idee van toen is inmiddels praktijk geworden. Bart Pijper spreekt de kinderen aan, neemt ze desgewenst even apart. Als er wat gebeurt op het schoolplein, kunnen ze bij hem hun verhaal kwijt. Soms is hij coachend bezig, soms gaat het om mediation tussen ruziënde leerlingen. Omdat hij tevens weerbaarheidstrainer is, komt ook geregeld het stootkussen tevoorschijn.

Er is ook een budget beschikbaar voor gezinnen om een acuut probleem op te lossen. Bart Pijper noemt een aansprekend voorbeeld uit een andere stad. “Met een kind op school ging het niet goed. Tijdens een gesprek bleek dat er thuis van alles aan de hand was; financiële problemen, relatieproblemen. Vader zat door omstandigheden thuis. Vroeger ging hij vaak vissen om zich te ontspannen, maar hij had geen hengel meer en ook geen geld voor een nieuwe. Hij kreeg een nieuwe vishengel, ging iedere dag een paar uur vissen, waardoor zijn vrouw ruimte kreeg en het ook beter ging met het kind.”

Te snel een stempeltje

Met deze wat bredere aanpak voorkom je volgens de gelukswerker ook dat een kind met een probleem te snel een stempeltje krijgt opgedrukt (“adhd, autisme, et cetera”) en moet worden doorverwezen naar tweedelijnszorg. Bart Pijper: “Je moet de hele context waarin het kind zich beweegt – het gezin, de familie, de sportclub, de wijk – erbij betrekken. Alleen maar naar het kind kijken werkt niet. Het gedrag van een kind kan in zijn eigen context volstrekt natuurlijk zijn, maar voor een leerkracht abnormaal overkomen. In gesprekjes met kinderen pel ik dat een beetje af en kom ik erachter wat er allemaal in het leven van een kind speelt. Soms heeft de leerkracht daar totaal geen weet van.”

De school investeert veel in ouderbetrokkenheid, zegt directeur Hartman. En bij sommige activiteiten die de  ouderraad organiseert, komen wel degelijk mensen uit de héle wijk over de vloer, zoals de bingoavond, de pubquiz en de kerstmarkt met het populaire rad van fortuin. Maar het contact met de buurt blijft lastig, en hopelijk verbetert dat met de inzet van de gelukswerker. “We hebben de ouders en de buurt nodig om het voor de kinderen beter te krijgen.” Dat zo’n cultuurverandering een zaak van lange adem is, zoals Pijper toevoegt, begrijpt de directeur ook wel. “Daarom beginnen we klein, bij de kinderen.”

Idioot kruispunt

Kleine stapjes zetten is ook het devies in de Haagse Schilderswijk. De Beatrixschool ligt op steenworp afstand van “het alleridiootste kruispunt van Den Haag”. Ouders maken zich grote zorgen over de veiligheid van hun overstekende kinderen. Sinds een paar weken kunnen ze misschien iets geruster zijn. De school heeft er samen met andere instanties in de wijk voor gezorgd dat de gemeente Den Haag bij een oversteekplaats twee unieke verkeersborden plaatste, met daarop zwaaiende kinderhanden afgedrukt.

Verkeersveiligheid is een groot probleem in de wijk, zegt directeur Lineke de Jong. Ouders laten hun kinderen nauwelijks buiten spelen. Ook andere problemen eisen hun tol, zoals criminaliteit, sociale onveiligheid en vuil op straat. De Jong typeert de Schilderswijk als “dynamisch en behoorlijk in ontwikkeling”. Oude woningen maken plaats voor nieuwe. “Verder is er een heel grote diversiteit, die leidt tot eilandachtig gedrag. Het botert niet altijd goed tussen verschillende groepen. Turken en Marokkanen zeggen dat Polen en Bulgaren hun banen afpikken.”

Sociaal wenselijk gedrag aanleren

Die spanningen komen ook allemaal de school binnen. Om daar wat aan te doen, begon de school in 2017 met het programma Buurtversterking vanuit de basisschool, waarvoor ze nauw samenwerkt met Verus en Locus 33 (voorheen LIFTcities). Positive Behaviour Support (PBS) vormt de pedagogische basis, dus: kinderen op een positieve manier sociaal wenselijk gedrag aanleren. “Niet ieder kind krijgt dat van nature mee”, zegt De Jong. “Dat gedrag moet je domweg aanleren, op een positieve manier. En vaak met een beloning.”

Op speciale ouderbijeenkomsten bleek dat vaders en moeders deze aanpak kunnen waarderen. “Bij jonge kinderen kun je de ouders nog de school binnenhalen om een gesprek te voeren. Daar ligt een grote kans om vanuit de school iets voor de buurt te doen. Je hebt als school namelijk ook last van de problemen. En als je als uitgangspunt neemt dat elke ouder het beste voor zijn kind wil – daar geloof ik heilig in – dan kunnen we vervolgens samen stappen zetten. Je kunt ook denken: er zijn zoveel problemen in de wijk, laten we maar niks doen. Maar dat vind ik geen optie. Natuurlijk lossen we niet alle grote problemen op, maar bescheiden eerste stappen kunnen in de wijk wel als een olievlek werken.”

School als schakel in de buurt

Bij de gesprekken over verkeersveiligheid – en straks wellicht straatvuil en andere problemen – werden ook diverse wijkpartners uitgenodigd. Contacten aangaan en onderhouden met deze instanties is een tijdrovend proces, waar een school normaal nauwelijks tijd voor heeft. Maar Inge Kok Postma van Locus 33 wel. Zij is een stedenbouwkundige die door een sociologische bril naar een buurt kijkt. Eerder was zij (vanuit LIFTcities) in het buitenland betrokken bij projecten om kwetsbare groepen “te laten meedoen in de stedelijke ontwikkeling in hun omgeving”.

Verbinding is het kernwoord van het programma, tussen de drie pijlers: school, ouders en buurt. Maar ook tussen de buurtbewoners onderling. Kok Postma: “Bewoners komen met elkaar in contact in de school, rondom het belang van hun kinderen. Maar het heeft een veel groter effect. Omdat ze elkaar gezien en gehoord hebben, zullen ze op straat eerder hallo tegen elkaar zeggen. Ze zullen minder gauw denken: ik mot jou niet. De school is zo een belangrijke schakel met de buurt, een middel om mensen met elkaar in contact te brengen.”

Van verkeersbord naar straatvuil

“We zijn natuurlijk wel een onderwijsinstelling”, reageert Lineke de Jong. “Ik moet ook zorgen voor goede resultaten van mijn leerlingen en mijn leerkrachten een beetje beschermen. Maar zij zien hier zelf ook het nut van in. En zij zien resultaten van de PBS-aanpak. De sfeer in school is aanmerkelijk positiever geworden, bijvoorbeeld tijdens het overblijven en het spelen op het plein. Veel respectvoller. Nu gaan we ons richten op rust in de gangen. Op een gegeven moment moet dat doorwerken op straat. Als je op school leert om met elkaar te leven, moet dat ook in een buurt kunnen.”

De verkeersborden zijn een mooie eerste stap, vinden beide vrouwen. Dat die niet meteen het hele  veiligheidsprobleem rond de school oplossen, weten zij ook wel. Maar zoiets kleins zwengelt wel wat aan. Inge Kok Postma: “Ouders merken: ‘hé, als wij samen met de school in actie komen, dan doet de gemeente daar iets mee. Dan wordt er naar ons geluisterd.’ Voor mensen die doorgaans heel ver van instanties afstaan, betekent dat veel. En als  het met verkeersborden lukt, dan gaat het misschien ook met het vuil op straat lukken.”

PO | VO | MBO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs