U bent hier

Inspectie wil meer cijfers gebruiken om opbrengsten mbo in kaart brengen

Het mbo krijgt per 1 augustus 2016 een nieuw toezichtkader. Een onderdeel daarvan wordt de zogenoemde opbrengstenbox. Waarom komt die box er? En wat moet erin komen te staan? We belden met Bert Lichtenberg, teamleider sector mbo bij de Inspectie van het Onderwijs.

Met het nieuwe kader wil de inspectie breder kijken naar de opbrengsten van mbo-opleidingen dan nu nog het geval is en de instellingen waar nodig stimuleren om zich te verbeteren. 

Wat gaat er gebeuren? 

“Op dit moment werken we eigenlijk met twee kengetallen: jaarresultaat en diplomaresultaat. Eenvoudig gezegd meten we het percentage diploma’s dat behaald is in een instelling. 
Dat is logisch, want studenten aan een diploma helpen is de maatschappelijke opdracht van het mbo.  Het is voor het bedrijfsleven en voor de toekomst van de student  echt van belang  dat studenten het diploma halen. Het succes van een opleiding is mede afhankelijk is van mate waarin diploma’s gehaald worden, en de mate waarin mensen doorstromen. 
Maar we hebben steeds meer gegevens beschikbaar dankzij BRON (Basisregister Onderwijs, red.). We willen daarmee een opbrengstenbox met diverse, aanvullende indicatoren samenstellen. Want als we diverse kengetallen kunnen  gebruiken, krijgen we een meer genuanceerd beeld van de instelling, dat meer recht doet aan de specifieke situatie en daarmee samenhangende opbrengsten.”

En waarom wil de inspectie dat?

“De opbrengsten worden nu alleen op het eindresultaat beoordeeld en dat is altijd achteraf met een vertraging. Deze vertraging komt omdat we pas in de loop van het volgende schooljaar valide cijfers hebben. Met de opbrengstenbox kunnen we een beter beeld krijgen van wat er in de instelling en onderdelen daarvan gebeurt. 
Door naar de samenhang en patronen te kijken hopen we dat instellingen gericht verbetermaatregelen treffen. In de opbrengstenbox gebruiken we kengetallen die door hun verschillende invalshoeken een beter, genuanceerd beeld geven van de opbrengsten van een instelling. En daarbij gaan we de cijfers niet per jaar, maar over drie jaar bekijken, zodat we trends kunnen zien en één incident niet meteen de opbrengsten beïnvloedt. 
Daardoor  kunnen instellingen gerichte verbetermaatregelen treffen. Dit soort analyses kan ook een  bijdrage leveren aan de verbetering van de (basis)kwaliteit. Dus hoe kan een instelling zich nog verder verbeteren, ook al ze voldoet aan de basiskwaliteit?”

Wat is de toegevoegde waarde van de opbrengstenbox?

“We willen in het nieuwe toezichtkader de verbinding te leggen tussen de opbrengsten en andere kwaliteitsgebieden. Als we de zaken meer in verband zien, kunnen we met elkaar ook meer bereiken. De kengetallen kunnen helpen om te bepalen: waar gaat het goed, dus wat kun je gebruiken om het ook op andere plekken goed te laten gaan? 
Dit kan tot aanwijzingen leiden om de instelling aan het werk te zetten. Overigens: met een goede kwaliteitsborging zal dit bij veel instellingen niet als een verrassing komen. Maar er kunnen bijvoorbeeld opvallende verschillen ontstaan tussen kwalificatiedossiers, branches of domeinen binnen één instelling of in relatie tot het landelijk gemiddelde. Hoe kan het dat het aan de ene kant goed gaat, en elders niet? 
Bijvoorbeeld: het succes van de eerstejaars zit zwaar onder het landelijk gemiddelde. Dat zou als oorzaak kunnen hebben dat de intakeprocedure niet geheel op orde is. De afspraak met de instelling kan dan zijn dat we de instelling vragen om een analyse van en mogelijk een plan van aanpak op te leveren.

Goede opbrengsten betekent dat veel studenten hun opleiding succesvol afronden en dus gekwalificeerd voor de arbeidsmarkt zijn. Dat is in het belang van de studenten zelf maar ook in het belang van het bedrijfsleven. Een goede opleiding zorgt dus voor veel studenten met diploma’s in de tijd die ervoor staat. Daarnaast is het goed als studenten uitgedaagd worden om waar mogelijk door te stromen en alles uit zichzelf te halen.”

In uw plannen staat ook het beoordelen van de toegevoegde waarde. De Onderwijsraad adviseerde  vorig jaar over het meten van toegevoegde waarde dat de beschikbare methodieken nog tekortschieten. Hoe ziet u dit voor zich?

“Toegevoegde waarde is simpel gezegd het verschil tussen het beginniveau van de deelnemer en zijn eindniveau. Dat kun je zetten naast het niveau dat je zou mogen verwachten.
 Toegevoegde waarde wordt niet per augustus 2016 normerend in de opbrengstenbox opgenomen. Maar het is wel een mooi aanvullend en in eerste instantie indicerend kengetal in de opbrengstenbox. Het zegt op zich wel iets over wat er in de instelling gebeurt. De ervaringen worden gebruikt om te bepalen of en hoe de toegevoegde waarde onderdeel van de normerende kengetallen kan zijn.”

En hoe zit het dan met de publicatie van die indicatoren uit de prestatiebox?

“Vanaf 2016 gebruiken we de normerende indicatoren in onze rapporten om tot oordelen te komen en nemen we de indicerende cijfers  alleen in de rapporten op als dat relevant is. De resultaten in de opbrengstenbox bespreken wij met de instelling en deze kunnen leiden tot nadere afspraken met de instelling.
Voor de goede orde: we staan nog aan het begin van deze ontwikkeling. Dit voorjaar komen er pilots en wordt er met instellingen samen gewerkt aan het uitproberen van deze werkwijze. De uitkomsten van de pilots zijn mede bepalend voor de verdere uitrol. Laat dus duidelijk zijn dat we over de verdere uitwerking van de nieuwe aanpak nog intensief met het veld overleg gaan voeren.”

MBO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs