U bent hier

Hoger onderwijs: papierwerk rond accreditatie halveert

Het hoger onderwijs verdient meer vertrouwen: dat is de voornaamste boodschap van de brief die minister Jet Bussemaker maandag aan de Tweede Kamer stuurde
De minister wil de hoeveelheid papierwerk die komt kijken bij een accreditatie halveren. Verus is positief over deze ontwikkeling om bureaucratie te verminderen en vertrouwen te vergroten.

De opleidingsaccreditatie blijft voorlopig de kern van het accreditatiestelsel. Er komt een beperkte pilot instellingsaccreditatie. Opvallend is dat de minister meer Bildung wil en meer handelingsruimte voor docenten. De politiek reageert verdeeld op Bussemakers plan. De VSNU reageert positief, maar vindt wel dat de pilot opengesteld moet worden voor alle universiteiten die mee willen doen. Hogescholen zijn positief, studenten kritisch.  

Verus is blij met de plannen van Bussemaker, het sluit aan bij de oproep die Verus al lang laat klinken: minder administratieve lasten, meer ruimte voor Bildung, meer vertrouwen en minder controle.

Vertrouwen

Veel docenten klagen over het bureaucratische accreditatiestelsel. Bussemaker onderschrijft dat. De overheid moet blijven zorgen voor een toekomstbestendig onderwijsstelsel dat kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid borgt, maar de minister wil dit vormgeven vanuit vertrouwen, ‘‘waarin de student centraal staat, de docent weer eigenaar is van het onderwijsproces, de instelling ruimte krijgt voor vernieuwing en waarbij er een betere balans is tussen de lasten en baten.’’ 

De verantwoording naar de overheid kan worden teruggebracht wanneer de interne verantwoording en cultuur bij instellingen goed zijn geregeld, schrijft Bussemaker. Onderwijsinstellingen die hieraan voldoen hoeven straks de helft minder informatie aan te leveren.

Advies

De plannen van de minister leunen in grote mate op het advies dat zij kreeg van een stuurgroep met vertegenwoordigers van de VSNU, de Vereniging Hogescholen, de NRTO, het ISO en de LSVb, de NVAO, de Inspectie van het Onderwijs en OCW. De minister sprak tijdens haar ‘HO-tour’ met studenten, docenten en bestuurders over de ambities voor het hoger onderwijs en de vraag waar extra investeringen het best op zijn plaats zijn. De opbrengst van de gesprekken wordt verwerkt in de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2019, die nog deze maand uitkomt.

Accreditatie op maat 

Peer review blijft belangrijk binnen het accreditatiestelsel. Daarbij is er ruimte voor een ‘brede invulling’ van de externe peers. Verder kunnen instellingen kiezen voor een wijze van accreditatie die past bij hun omvang en bij de wijze waarop zij hun kwaliteitszorgsysteem hebben georganiseerd.

Pilot

Een beperkte groep onderwijsinstellingen die hun kwaliteitszorgsysteem goed op orde hebben mag vanaf 2017 meedoen aan een pilot voor instellingsaccreditatie. Deze accreditatie kan volgens Bussemaker binnen deze instellingen een nieuwe impuls geven aan de verdere ontwikkeling van een duurzame en constructieve kwaliteitscultuur. Binnen de pilot wordt de instelling beoordeeld op de manier waarop zij haar kwaliteitszorg heeft ingericht en realiseert, en op de wijze waarop zij zelf instaat voor de kwaliteit van haar opleidingen.

Prestatieafspraken

In het licht van haar roep om meer vertrouwen in het hoger onderwijs, gaat de minister kritisch kijken naar de prestatieafspraken. Deze worden in 2016 geëvalueerd. Dan wordt ook bekeken of de prestatieafspraken hebben geleid tot beter onderwijs en het versterken van de kwaliteitscultuur. Verus verzet zich al langer tegen het wantrouwen richting het onderwijs, waar de cijfermatig gestuurde uniformerende prestatieafspraken een uiting van zijn. In april 2015 liet Thom de Graaf, voorzitter van de Vereniging Hogescholen, een welkom verzet horen.

Meer invloed

Via de medezeggenschapsraad krijgen studenten en docenten een belangrijke stem bij de aanvraag voor deelname aan de pilot instellingsaccreditatie. Bussemaker schrijft: ‘‘Ik deel de opvatting (…) dat de nadruk nu vooral ligt bij het systeem en het bestuur. Ik wil hier van af en breek daarmee met het beleid dat de afgelopen decennia in gang is gezet. Ik kies voor beleid waar de docent eigenaar is van het onderwijs en waar de student centraal staat.’’

Kritiek

De Landelijke Studentenvakbond LSVb keurt het plan af om de onderwijsinstellingen zelf hun beoordeling te laten doen. De student betaalt genoeg voor z’n opleiding, en moet er vanuit kunnen gaan dat de kwaliteit goed is. Instellingsaccreditatie kan dit niet garanderen, aldus de bond. Studentenorganisatie ISO vindt dat studenten en docenten nog meer inspraak moeten krijgen.

De Vereniging Hogescholen juicht het terugbrengen van de administratieve last toe en is ook blij dat de opleidingsaccreditatie voorlopig de kern van het accreditatiestelsel blijft.

De PvdA is tevreden met het voorstel, maar vindt wel dat studenten en docenten via opleidingscommissies meer zeggenschap moeten krijgen. De VVD vindt dat het huidige stelsel nog te wankel is om de accreditatie grotendeels zelf te dragen, en is ‘allerminst tevreden’.

Bildung

Het hoger onderwijs moet bijdragen aan de Bildung van studenten, vindt de minister. ‘‘Daarmee bedoel ik naast aandacht voor kwalificatie (kennis en expertise), ook aandacht voor socialisatie en persoonsvorming. Om dergelijk talent tot ontwikkeling te laten komen is een hogeronderwijsinstelling als waardengemeenschap nodig waarin studenten de ruimte ervaren voor passie, diversiteit, nieuwsgierigheid, leren en experimenteren en waar sprake is van een gevoel van meesterschap over de eigen ontwikkeling. Docenten ervaren daarin dat ze worden gestimuleerd hun vak op hun manier te belichten en daaraan vorm te geven. Zo kunnen docenten en onderzoekers goed onderwijs verzorgen voor hun studenten en topprestaties leveren op het gebied van onderzoek.’’ 

Student en docent moeten elkaar kunnen vinden en inspireren. Belangrijk, aldus de minister, want waar de student een steeds grotere behoefte heeft aan maatwerk en persoonlijke begeleiding, heeft de docent het gevoel hieraan niet tegemoet te kunnen komen omdat hij/zij te veel tijd en aandacht kwijt is aan het afleggen van verantwoording.

Incidenten relativeren

Bussemaker vindt ook dat incidenten niet onnodig veel invloed mogen hebben op het vertrouwen in en de legitimiteit van ‘het huidige besturingsmodel’. ‘‘Ik heb er vertrouwen in dat instellingen de meeste incidenten intern kunnen voorkomen of indien incidenten zich toch voordoen, ze deze kunnen oplossen. (…) Ad hoc politiek leidt niet zelden tot een stapeling van maatregelen en bestuurlijke arrangementen. Juist daar wil ik voor waken. Als we ruimte willen maken voor onderwijsinnovatie en responsiviteit, moet er ook ruimte zijn om fouten te maken en die te herstellen.’’

Regelgeving kan randvoorwaarden bieden voor goed onderwijs, maar niet daarvoor zorgdragen. Dat doet de onderwijsgemeenschap, aldus de minister. ‘‘Een goede kwaliteitscultuur valt en staat met het goede gesprek over wat goed onderwijs is binnen de instelling. Het goede gesprek kan overigens ook het lastige gesprek betekenen. (…) Ik wil stimuleren dat er een permanente dialoog plaatsvindt over essentiële voorwaarden als deskundigheid, cultuur, de houding van bestuurders en toezichthouders en vertrouwen vanuit de overheid.’’

 

HBO | WO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs