U bent hier

Hoger beroepsonderwijs voor de wereld van morgen

De weg die de Christelijke Hogeschool Ede aflegt, is een interessant voorbeeld van de ontwikkeling die het hoger beroepsonderwijs in ruim 30 jaar heeft doorgemaakt. Destijds verzelfstandigde de overheid dit onderwijs en bracht de beroepsopleidingen voor uiteenlopende branches ertoe samen te gaan. Niet in de eerste plaats om zo hun schaal te vergroten, maar om daarmee de weg vrij te maken voor een vernieuwing van hun onderwijsaanbod. Een aanpassing van het beroepsonderwijs, die zou worden ingegeven door de veranderingen in het bedrijfsleven – in productie, handel en dienstverlening. Dat moet toen de veronderstelling van de beleidsmakers zijn geweest. Dit alles bracht een reusachtige omslag teweeg. Inmiddels heet de instelling in Ede kortweg CHE. Hoe handhaaft zij zich?  

Puzzel

De landelijk geïnitieerde reorganisatie bracht stapsgewijs vier instellingen bij elkaar, de voorlopers van CHE: een pedagogische academie, een sociale academie, een school voor journalistiek en een theologische opleiding, vier beroepsopleidingen die bestemd waren voor jongeren uit orthodox gereformeerde kringen. Het zal destijds voor de bestuurders in meerdere opzichten een puzzel zijn geweest om de fundering voor een levensvatbare hogeschool te leggen.

Zo is er de secularisatie, die ook de godsdienstigheid van orthodox gelovige mensen beïnvloedt. De vorig jaar overleden godsdienstsocioloog Gerard Dekker, die studie van de secularisering binnen protestantse kerken heeft gemaakt, constateert dat afvalligheid onder orthodoxe protestanten niet zoveel is aangetroffen, geloofsverandering echter wel. Minder gerichtheid op God en minder leerstelligheid, ziet hij. Anderzijds constateert hij meer gerichtheid op mens en wereld – meer op handelen. Hij noemt dit een winstpunt. Vasthouden aan de oude vorm van godsdienstigheid zou tot ongeloof kunnen leiden. Moderne mensen kunnen eenvoudigweg zo niet meer geloven, aldus Dekker.

Maar hij spreekt toch ook van verlies. Misschien is de uitdrukking ‘onzichtbaar christendom’ bekend, de redenering dat het georganiseerde christendom weliswaar danig is verzwakt, maar dat de hedendaagse cultuur door zijn normenstelsel is bestempeld en gewoonte geworden: christendeugdzaamheid als iets vanzelfsprekends. Daarmee lijkt er niet zoveel aan de hand te zijn. Maar kan een samenleving zonder een georganiseerde godsdienst, zo vraagt Dekker zich af. Hebben de vanzelfsprekende normen die gelden, geen voeding nodig van het christelijk geloof, dat daar met iets buitengewoons, het mysterie van het geloof, boven uitsteekt?

Deze kwestie legt een dilemma van CHE bloot. Haar traditionele achterban is minder kerkelijk aan het worden en daarmee minder hecht georganiseerd. Een belangrijk anker van deze hogeschool lijkt af te zakken. Behalve dat de invloed van het kerkelijk leven op de opleidingen afneemt, is ook de toestroom van studenten niet meer gegarandeerd. Bovendien heeft de afschaffing van de basisbeurs tot gevolg dat studenten bij hun ouders blijven wonen en een opleiding in de buurt volgen. De logische reactie hierop is op zoek te gaan naar andere milieus, als een poging om de achterban te verbreden. CHE betreedt de markt. Maar hoe wordt voorkomen dat de voeding waar Dekker op doelt, de bodem van haar beroepsopleidingen niet meer bereikt?

Diversificatie

CHE ligt voor twee ankers. Het eerste anker is haar land van herkomst, het tweede haar aanbod van beroepsopleidingen. Het is niet onwaarschijnlijk dat het eerste afzakt, hoe stevig is het tweede anker? Dit is het tweede deel van de puzzel geweest.

Het waren zoals opgemerkt slechts vier, betrekkelijke smalle opleidingen waarmee de hele onderneming is begonnen. De grote vraag moet zijn geweest hoe dit oorspronkelijke aanbod voor journalistiek, sociaal werk, pastorale zorg en het leraarschap zou kunnen worden uitgebreid. Meer variatie in opleidingen zou moeten bijdragen aan de versteviging van de instelling. Dergelijk beleid dwingt de bekostigingssystematiek van de overheid trouwens af. De hoogte van de subsidie hangt grotendeels af van het aantal ingeschreven studenten. Dit is de onverbiddelijke werkelijkheid. De boog van CHE moest dus veerkracht krijgen, ze moest transformeren.  

Maar diversificatie van beroepsopleidingen brengt veel teweeg, waarvan de inspanning die het vraagt om overheidsgoedkeuring te krijgen om een nieuwe opleiding te mogen starten, hoe beslissend ook, nog wel het minste is.

Terwijl de oorspronkelijke opleidingen zijn opgezet om met name jonge mensen hun beroep uit te laten oefenen in gereformeerde instellingen, waarvan onderwijs een sprekend voorbeeld is, kan CHE dit niet meer als oogmerk hebben. Immers, nagenoeg alle oorspronkelijk christelijke organisaties voor medische zorg, maatschappelijk werk, nieuwsgaring en grote delen van het onderwijs hebben hun oriëntatie gerelativeerd of laten varen. Het richtsnoer is tegenwoordig vooral kwaliteit en marktaandeel. Dit is voor CHE in drieërlei opzicht van grote betekenis: voor haar aanbod, de borging van de kwaliteit van haar opleidingen en haar godsdienstige karakter.

De hogeschool in Ede is zich gaan oriënteren op een grotere beroepswereld en heeft door omvorming van opleidingen en uitbreidingen een groter bereik bewerkstelligd. Haar actieradius is aanzienlijk vergroot. Verpleegkunde, bedrijfskunde, HRM (personeelswerk), communicatie en, de jongste loot, ICT, zijn in de loop van de tijd het aanbod gaan vergroten. Het zijn voltijdopleidingen. Daarnaast zijn er, in verschillende gedaanten, veertien deeltijdopleidingen met ongeveer 900 deelnemers en een groot aanbod van post-hbo opleidingen, masters en cursussen. Totaal telt de instelling ongeveer 4000 studenten.

Kwaliteit

In de tijd dat CHE haar frequentiegebied begon uit te bereiden, is er veel meer aandacht voor resultaten van zowel studenten als instellingen ontstaan. Opnieuw is het de overheid die het initiatief heeft genomen. We weten dat zij het onderwijs verzelfstandigde opdat er meer variëteit in het aanbod zou ontstaan, maar gaandeweg verbond de overheid er ‘kwaliteit’ aan. Het gaat haar om variëteit én kwaliteit. Was de oude situatie van het hoger beroepsonderwijs tamelijk overzichtelijk (denk aan de hts, de heao en zo meer, opleidingen die de overheid subsidieerde), in de nieuwe situatie, waarin het aanbod in beweging is, zijn het resultaatkenmerken, die de overheid een nieuw houvast moeten bieden om zich zo over het onderwijs te kunnen blijven verantwoorden.

Behalve dat CHE een groter marktaandeel moet zien te veroveren, is ze gedwongen nadrukkelijker met de kwaliteit van het werk, het onderwijs bezig te zijn. Ook dit is een complexe kwestie want kwaliteit, die voorheen vooral betrekking had op de relevantie van vakkennis en de overdracht ervan door docenten, is met nieuwe facetten uitgebreid.   

In de voorbije situatie stond het aanbod van de opleidingen min of meer vast. De laatste jaren doet het hoger beroepsonderwijs echter verwoede pogingen de reële omstandigheden van de zogeheten werkvelden te vertalen in het programma van de opleidingen. Zo is de nieuwe bachelor ICT van CHE tot stand gekomen met bedrijven in de regio, nadat zij eerst samen onderzoek hebben gedaan naar de doelmatigheid van zo’n opleiding.  

Een tweede facet is de verscheidenheid onder studenten, die afkomstig kunnen zijn van havo, vwo of mbo en bovendien de academische studenten deels overlappen. De hogescholen moeten al deze mensen een plaatsje gunnen.

Deze zeer heterogene verzameling studenten is een van de aanleidingen geweest voor afspraken tussen de overheid en het hoger beroepsonderwijs over zijn prestaties. Deze worden cijfermatig weergegeven, wat een nieuw facet van kwaliteit is. De instellingen mogen zelf hun doelen stellen, mits deze maar gaan over zaken zoals studiesucces, de tevredenheid van studenten, hun begeleiding en het voorkomen van uitval, bijvoorbeeld door een lager onderwijsniveau aan te bieden, de associate degree. CHE heeft er zes van. De vraag is hoe deze hogeschool verder nog met dit veranderde begrip van kwaliteit weet om te springen.

Herontwerp

CHE heeft haar beroepsonderwijs niet meer ingericht in vakken, waarin les wordt gegeven, maar op basis van toetsbare ‘leeruitkomsten’. Dit zijn eindresultaten die van de student worden verwacht.

Leeruitkomsten, die de student moet aantonen, zijn afgeleid van competenties (vaardigheden), die op hun beurt verbonden zijn met kerntaken die een domein, een heel werkveld, bijvoorbeeld ICT, uitmaken. Een van de kerntaken van dit domein is ‘ICT-oplossingen’; een van de competenties daarvan is ‘beheren’. Een leeruitkomst van beheren is bijvoorbeeld de installatie en in bedrijf stellen van een ICT-systeem. De beschrijving van domeinen in kerntaken en leerresultaten worden ontwikkeld door landelijke platforms waarin onderwijs en bedrijfsleven samenwerken en de resultaten worden geijkt aan officiële Europese standaards voor beroepskwalificaties. Dit laat zien dat hogescholen, anders dan in het verleden, toen zo’n school min of meer op zichzelf stond, los van de beroeps- en opleidingswereld, tegenwoordig participeren in netwerken met regionale, nationale en internationale vertakkingen.

Het deeltijdonderwijs kreeg ook een nieuwe opzet. Weer is daar een landelijk initiatief aan vooraf gegaan. De vraag naar deeltijd hoger beroepsonderwijs nam duidelijk af, wat opmerkelijk is omdat de behoefte aan bijscholing alleen maar toeneemt. Als oorzaak van de teruggang wordt genoemd het gebrek aan aansluiting van het aanbod van de hogescholen bij de scholingsbehoeften van werkende mensen en de wensen van het bedrijfsleven. Deeltijdstudenten zijn van een totaal ander slag dan de jonge mensen die aan een voltijdsberoepsopleiding beginnen. De overheid subsidieert pilots om ervaring op te doen met flexibel onderwijs, bestaande uit modules waaruit de deeltijdstudent kan kiezen, en dat zowel online als op de werkplek en de hogeschool wordt georganiseerd.

Langs deze lijnen heeft CHE al haar deeltijdopleidingen opnieuw ontworpen. Nellie Oversluizen-Van Rijn, een docent van CHE, analyseerde deze vernieuwing binnen haar instelling (in het kader van haar eigen deeltijdstudie). De wens om een opleiding te vernieuwen mag terecht zijn, de werkelijkheid is weerbarstig, zo laat zij in haar verslag zien. De vernieuwing heeft zich voltrokken op een manier zoals dat meestal gaat. De leiding heeft een visie op vernieuwing, ervaart de noodzaak ervan en wil haar op zakelijke wijze realiseren. De groep uitvoeders van de vernieuwing, denk in dit geval bijvoorbeeld aan de modulen die moeten worden samengesteld, geloven erin en tonen inzet. Ten slotte, de derde groep, in dit geval de docenten, die in een wezenlijk anders georganiseerde deeltijdopleiding terechtkomen en daar hun weg moeten zien te vinden. Oversluizen-Van Rijn concludeert dat de leiding er goed aan heeft gedaan door te zetten, maar ook dat er tijdens de verbouwing van deze deeltijdopleidingen geen recht is gedaan aan de professionele ruimte, die docenten, ook naar de overtuiging van CHE, behoren te hebben. De nieuwe opleidingen staan er, gelukkig. De aandacht moet nu uitgaan naar de docenten die inzien dat het werk aanzienlijk zal veranderen. Zij hebben hulp nodig. Het moet hun werk weer gaan worden. 

Levensovertuiging

De drie letters CHE staan, op menshoogte, in een plantsoen, waarachter, even verderop, een nieuw, groot glazen gebouw staat. Deels heeft de gevel daarvan een blokjespatroon, dat ook op de glazen loopbrug is aangebracht, die naar het andere, gerenoveerde gebouw voert. Achter de façade van dit gebouwencomplex volgen studenten hun opleiding, zijn mensen intussen bezig beroepsopleidingen anders vorm te geven of denken na over het aanbod van een nieuwe opleiding. Onderwijl is de huisvesting stevig aangepakt. CHE neemt de werkelijkheid tot zich. Maar ze probeert dat wel op haar eigen manier te doen, wat over het volgende gaat.

CHE wil de christelijke levensovertuiging, haar land van herkomst tenslotte, in een nieuw verhaal vertellen, toegespitst op beroepsuitoefening. Het zal geen kanselrede zijn. Het verhaal begint met een vraag aan studenten: “Wie wil je zijn in het werkveld van morgen?” Hiermee wil CHE hun mensvorming naar voren halen. Als het aan CHE ligt zal hun toekomstig handelen als professional gevoed blijven door een samenspel van beroepskwalificaties, burgerschapswaarden en de wil een volwassen mens te zijn. Dit samenspel komt op gang door uit bronnen te putten, waaronder de Bijbel, en samen altijd maar in gesprek te blijven over het waartoe: waarom zijn wij er? Dit samenspel vormt het denkraam van CHE.

Op deze wijze en met dit denkraam is de mensvorming van studenten een kerntaak van elke opleiding, als een rode draad vier jaar lang. Dit tekent deze hogeschool en ook de docenten die er werken.

Deze tekening kan ook nog anders worden opgevat. Van universiteiten en hogescholen wordt ook verwacht een kijk op de toekomst te ontwikkelen en bezig te zijn met het nog niet gekende. Juist het bovenomschreven denkraam, met zijn existentiële karakter, is daarvoor dienstig. Ook zo bezien heeft CHE een bevrijdend denkraam in handen en dat heeft een grote maatschappelijke betekenis.

Nico Dullemans

HBO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs