U bent hier

Hoeveel leraren hebben stressklachten? En 5 andere opvallende vragen over de onderwijsbegroting

Voorafgaand aan het debat over de onderwijsbegroting stelden de Tweedekamerfracties maar liefst 338 vragen aan de ministers van onderwijs. Bijvoorbeeld waarom onderwijsmiddelen onder “consumptieve overheidsuitgaven” worden weggeboekt, terwijl het in feite investeringen in mensen betreft. Of waarom er zoveel parttimers in het onderwijs werken. We selecteerden 6 opvallende vragen.

1. Welke redenen zijn er voor het vele parttime werken in het onderwijs?

Dit is waarschijnlijk mede afhankelijk van het aandeel vrouwen in het primair onderwijs. Vrouwen werken in Nederland vaker in deeltijd dan mannen: 70% van de vrouwen versus 20% van de mannen. En er werken nu eenmaal (veel) meer vrouwen dan mannen in het onderwijs. De minister kondigt een publicatie van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Deeltijdwerk aan, rond de Kerst, dat kijkt naar de historische situatie en hoe Nederland een deeltijdland geworden is.

De link tussen deeltijdwerk en een hoge werkdruk in het primair onderwijs is onduidelijk. Er zijn diverse factoren die werkdruk veroorzaken.

2.  Hoeveel gevallen van burn-out doen zich per jaar voor bij leraren in het basis-, voortgezet en speciaal onderwijs? Hoeveel leraren hebben daar stressklachten? Hoeveel leraren overwegen de overstap naar een andere sector?

Uitval door burn-out wordt niet geregistreerd, antwoordt de minister. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2018 blijkt wel dat de bedoelde onderwijssectoren hoog scoren op burn-out klachten en dat werkstress daar een belangrijke oorzaak van is. Het overwegen van de overstap naar een andere sector wordt eveneens niet geregistreerd.

3. Wat is de hoogte van de ouderbijdrage per school die ouders met hoogbegaafde kinderen aan ouderbijdrage moeten betalen?

Het onderwijs voor (hoog)begaafde leerlingen moet net als voor andere leerlingen vrij toegankelijk en kosteloos zijn. Scholen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs moeten gezamenlijk voorzien in een passend aanbod voor elke leerling, ook voor (hoog)begaafde leerlingen. De toelating hiertoe mag niet afhankelijk worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders. Zolang de bijdrage expliciet vrijwillig is mag een school de hoogte van de bijdrage in overleg met de medezeggenschapsraad zelf bepalen.

4. Wat klopt er van de constateringen in het OESO-rapport Education at a Glance dat leraren in het voortgezet onderwijs in Nederland gemiddeld 29% méér leerlingen hebben dan hun collega’s in de EU, het maximaal aantal lesuren van een leraar in Nederland 750 is, wat 41 uur meer is dan het OESO-gemiddelde voor leraren in de onderbouw en 83 uur meer dan het OESO-gemiddelde voor bovenbouwleraren?

Inderdaad constateert de OESO in Education at a Glance 2019 dat het maximaal aantal lesuren van een leraar in Nederland hoger is dan het OESO-gemiddelde, zowel in de onderbouw als in de bovenbouw van het vo, schrijven de ministers. Ze veronderstellen dat de vraagsteller het verschil van 29% met het EU-gemiddelde baseert op gegevens over leerling-leraar ratio’s in het voortgezet onderwijs. Het klopt dat de leerling-leraar ratio in Nederland in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs hoger is dan het gemiddelde in de OESO landen. Het is goed hierbij te beseffen dat er geen één-op-één-relatie is tussen deze ratio en de feitelijke groepsgrootte. De leerling-leraar ratio is slechts het aantal leraren gedeeld door het aantal leerlingen. Er kunnen op basis van deze OESO-cijfers niet zonder meer conclusies worden getrokken over de groepsgrootte in Nederland in vergelijking met andere landen. De feitelijke groepsgrootte per leraar hangt van veel factoren af, zoals aard en omvang van het vak en de onderwijskundige visie van de school. Ook bijvoorbeeld de inzet van ondersteunend personeel kan per land verschillen. In Nederland staat de eigen visie en werkwijze van scholen voorop: vanuit de overheid wordt niet gestuurd op de groepsgrootte.

5. Kunt u bevestigen dat de begrote uitgaven voor initieel onderwijs worden gekwalificeerd als consumptieve overheidsuitgaven, terwijl het in feite investeringen in mensen betreft, die gemiddeld minstens 40 jaar renderen? Kunt u toelichten waarom deze uitgaven niet als "overheidsinvesteringen" gekwalificeerd worden?

Ja, schrijven de ministers, de begrote uitgaven voor initieel onderwijs worden gekwalificeerd als consumptieve overheidsuitgaven. De classificatie van overheidsuitgaven in consumptieve uitgaven en investeringen volgt de bindende internationale richtlijnen van Eurostat.

6. Hoeveel minder schoolgebouwen zijn er nodig bij een daling van de leerlingenpopulatie met 115.000 leerlingen?

Dat is niet in aantallen te zeggen, schrijven de minister, omdat het louter een theoretisch beeld zou geven en weinig zou zeggen over de werkelijkheid. Het hangt immers af van de spreiding van de leerlingendaling, zowel qua regio/locatie, per onderwijssoort als per leeftijdsgroep. Er zullen daarbij grote verschillen zijn. Het is echter wel aannemelijk dat als gevolg van de leerlingendaling niet alle scholen komende jaren in stand gehouden kunnen worden. Dit kan uiteraard ook consequenties hebben voor het aantal schoolgebouwen.

PO | VO | HBO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs