U bent hier

'Hoe meer we meten, des te meer we veranderen in een meetmaatschappij waarin alles competitie wordt'

Waar je ook kijkt: op school, in het werk of in je privéleven, overal zie je meetsystemen terugkomen. Denk aan dashboards, allerlei data die in je telefoon worden opgeslagen en de manier waarop op school prestaties worden bijgehouden. In het boek De meetmaatschappij gaat associate professor Berend van der Kolk, die werkzaam is aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, in op de oorzaken en gevolgen van de enorme focus op meetbare resultaten. ‘Zie een cijfer als het begin van een gesprek, niet een eindresultaat’.

Na zijn master aan de Rijksuniversiteit Groningen, promoveerde Van der Kolk op het thema management in de publieke sector. Toen focuste hij zich op gemeenten en wat daar allemaal gebeurt op het gebied van meten en verantwoorden. Zijn interesse in andere sectoren, waaronder het onderwijs, werd daarna behoorlijk gewekt. In deze sectoren ging hij meer in op de psychologische en sociologische componenten van het meten. ‘’De afgelopen jaren liep ik met het idee rond om deze wetenschappelijke bevindingen in een boek te zetten en te delen met de buitenwereld. Want door gesprekken met anderen in bijvoorbeeld de zorg en het onderwijs gingen mijn ogen steeds verder open voor hoe groot de problematiek is.’’

Maar waar komt die behoefte van het alles meetbaar maken nou vandaan? In zijn boek beschrijft Van der Kolk enkele factoren die een rol spelen. Eén daarvan is het verlangen om alles grijpbaar en beheersbaar te maken. ‘’Zo word je als leidinggevende geacht een beslissing te maken op basis van data. Dat geldt ook voor het onderwijs. Bijvoorbeeld of een kind overgaat naar een volgende klas of een bepaalde docent een vast contract krijgt. Maar als leidinggevende kan je van álles nooit helemaal op de hoogte zijn. De werkelijkheid is veel te complex, en om die behapbaar te maken gebruiken we meetsystemen. Op basis van een meting kan je vervolgens je beslissing maken en je beroepen op zogenaamd objectieve data: vakevaluaties door studenten, of slagingspercentages.’’

Meetexplosie

Daarnaast is onze drang naar meten ook te wijten aan de zogenoemde ‘meetexplosie’. Dat houdt in dat het makkelijker en goedkoper is geworden om vragenlijsten af te nemen. Vroeger ging dit per post, nu digitaal. ‘’Het is makkelijk om via de telefoon een vragenlijst te maken, cijfers en data te verzamelen. De online mogelijkheden spelen een belangrijke rol’’, zegt Van der Kolk. Eveneens komt volgens hem de populariteit van meetsystemen doordat ze ook motiverend kunnen werken. Hij haalt daarbij het gebruik van applicaties aan waarbij je je sportprestaties bij kunt houden. ‘’Dit motiveert en kan bijdragen aan een goed zelfbeeld en het behalen van je doelen.’’

Maar de drang om alles in meetbare resultaten te gooien, is niet altijd ten goede. ‘’Op het basis-, en middelbaar onderwijs, mbo, hbo en universiteiten lijken cijfers soms het einddoel te zijn. En dat kan afbreuk doen aan de eigenlijke reden waarom we op school zitten: iets leren. Als ik kijk op de universiteit, dan had ik weleens gesprekken met studenten die zich zorgen maakten over hun gemiddelde. Ze maakten zich minder druk over of ze wel genoeg leerden. De aanname is dat een cijfer iets zegt over hoeveel je op school leert’’, legt Van der Kolk uit.

De veilige weg kiezen

Een mogelijk gevolg hiervan is ook dat leerlingen of studenten een bepaald vak of onderwerp zullen kiezen waar ze al enige beheersing van hebben, zodat ze een zo hoog mogelijk cijfer halen. ‘’En dat is nu juist wat je niet moet willen. Als een leerling of student een werkstuk of presentatie maakt, wil je dat ze zichzelf uitdagen om een onbetreden pad te bewandelen met een nieuw thema. Als ze voor een veilige keuze gaan waarmee ze gegarandeerd een hoog cijfer halen, ontnemen ze zichzelf de kans om daadwerkelijk wat te leren. En juist doordat je nog niet veel weet van een onderwerp en fouten durft te maken, leer je uiteindelijk heel veel.’’

De Onderwijsinspectie vraagt meetbare resultaten van scholen. En die data geven scholen ook. Volgens Van der Kolk kan een gesprek met de inspectie heel waardevol zijn. ‘’Als cijfers een bepaald gedrag aantonen dat leerlingen bijvoorbeeld vaak voor de veilige weg kiezen en niet uit hun comfort zone stappen om iets nieuws te leren, dan kan je dat aantonen als negatieve bijwerking van het meetsysteem en in gesprek gaan over hoe je dit kan voorkomen.’’ Van der Kolk geeft in het einde van zijn boek de tip mee om niet te veel te willen meten. ‘‘Ik wil pleiten om soms een stapje terug te doen en bijvoorbeeld voor sommige presentaties of schoolopdrachten geen cijfer te geven. Zo geef je leerlingen de ruimte om te experimenteren en te leren in een veilige klassensetting waarin het oké is om iets nieuws te doen wat ze nog niet beheersen. Dat gebeurt nu al op verschillende plekken, en soort initiatieven zijn volgens mij heel belangrijk.’’

Ranglijsten

Van der Kolk is huiverig over ranglijsten van scholen en universiteiten: die staan of vallen met allerlei metingen. ‘’De enige reden dat dit soort ranglijsten bestaan, is door de cijfers. Als je dus beseft dat een cijfer lang niet alles zegt en dat de makers van zo’n ranglijst vaak zelf bepalen welke gewichten verschillende onderdelen krijgen, moet je je afvragen wat je eigenlijk aan zo’n ranglijst hebt. Wat zegt de plek op de ranglijst over de gedrevenheid van de docenten, de veiligheid van de leeromgeving of de toekomstige leerervaringen van je kind? Geven we dit soort ranglijsten niet teveel aandacht met elkaar?’’

Daarnaast creëert de aanwezigheid van meetsystemen en ranglijsten het idee dat je in een competitie zit. ‘’Hoe vaker we meetsystemen gebruiken, hoe meer we veranderen in een meetmaatschappij waarin alles competitie wordt. Door de onderlinge vergelijkingen kunnen we onszelf constant met anderen meten, maar of dat wenselijk is kunnen we ons sterk afvragen. Willen we wel dat de school een open competitie is tussen leerlingen? Is de school een plek waar we punten scoren en als concurrenten met elkaar omgaan, of helpen we elkaar juist te ontwikkelen?’’

Als begin, niet eind

Daarom pleit Van der Kolk ervoor om cijfers te zien als begin en niet als eind. Er wordt veel samengevat in een cijfer, maar er ontglipt tegelijkertijd ook heel veel. Zo stelt Van der Kolk dat in een rapport nooit een volledig beeld van een kind geschetst kan worden. ‘’Elke keer als je ergens een cijfer aan geeft, haal je het uit de context, je verwijdert de context en het enige wat overblijft is een cijfer van 1 tot 10. We moeten juist de cijfers méér context geven. Niet alleen naar het gemiddelde kijken, maar naar de leerling zelf, de klas waar de leerling in zit, de achtergrond, ontwikkelingskansen en mogelijkheden. Met alleen cijfers hou je een beperkt of zelfs vertekend beeld over. Het is belangrijk dat we ons bewust zijn van alles wat je niet in een cijfer kan vatten.’’

En als er dan wel iets wordt becijferd, ziet hij daar ook mooie kansen. ‘’Je kan het zien als een moment waarin de leerling naar jou toekomt voor een gesprek over waarom ze dit cijfer hebben gekregen. Het kan een begin van een gesprek zijn om met elkaar te praten over hoe het leren gaat, wat goed gaat en waar ontwikkelingen behaald kunnen worden. Een beoordeling als opening van een gesprek dat leidt tot beter leren en ontwikkelen, is veel waardevoller dan enkel een stempel geven en denken dat het daarmee klaar is.’’

Benieuwd naar De meetmaatschappij? Lees hier meer informatie over het boek en waar je het kunt bestellen.

PO | VO | MBO | HBO | WO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs