U bent hier

Het vertrouwensdilemma van schoolbestuurder Eugène Bernard

De onderwijsinspectie begint haar vierjaarlijkse onderzoek bij het schoolbestuur en vraagt wat dat bestuur doet om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. Daarna gaat zij bij de scholen langs om te controleren of het allemaal wel klopt wat er is gezegd. Vervolgens velt de inspectie haar oordeel. Eugène Bernard, voorzitter van het tweekoppige bestuur van de vereniging Ons Middelbaar Onderwijs, ervaart hierbij een levensgroot dilemma.

Afnemend vertrouwen

Eind vorig jaar werd tijdens de Algemene Ledenvergadering van Verus gediscussieerd over de druk die het systeem legt op de dagelijkse gang van zaken op school en in de klas. Eugène Bernard spitst deze druk toe op het toezicht dat de overheid laat uitvoeren door haar inspectiedienst. Hij vertelt: “Dat er namens de samenleving toezicht is op de scholen, is iets vanzelfsprekends. En uiteraard wil ik voorkomen dat de inspecteur in het openbaar ons negatief beoordeelt, maar ik moet wel opletten. Als ik niet uitkijk, beweeg ik te veel mee met de manier van toezichthouden en word ik inspecteur nummer 2. Dan raak ik het vertrouwen van de scholen kwijt.”

Bernard, die tien jaar bestuurder van Ons Middelbaar Onderwijs (OMO) is, heeft het vertrouwen van de overheid zien afnemen. De controle nam omgekeerd evenredig toe. “Eerst was het voldoende als ik over de scholen vertelde. Toen moest ik hun resultaten laten zien. Nu moet ik bewijzen dat ons besturen van de scholen, dat wat wij doen, goed uitpakt. Waar houdt dit op?”

Hij stelt deze vraag omdat hij ronduit bezorgd is. Hij wil de vertrouwensband die er tussen de scholen en het bestuur van OMO is, niet schaden. “Wij willen op ooghoogte met de scholen blijven staan. We willen niet controlerend zijn, maar stimulerend, gericht op de ontwikkeling van de school”, zegt hij. Tegelijkertijd wil Bernard op professioneel goede voet met de inspectie zijn. Een dilemma is geboren. “Het is echt ingewikkeld om daarmee om te gaan.”

Strategisch gedrag

Bernard wijst op de reputatieschade als gevolg van een negatief inspectie-oordeel (dat nu eenmaal openbaar is). Zo’n school komt in een vrije val terecht. Leerlingenaantallen nemen af, het lerarenkorps wordt uitgedund. De school heeft weinig armslag over.

Bernard: “Dit gevaar werkt in de hand dat mensen zich berekenend gaan opstellen. De neiging ontstaat de situatie mooier voor te stellen dan de werkelijkheid. Gejokt wordt er niet, maar volledig zal men niet altijd willen zijn. Dit heet strategisch gedrag.” Hijzelf probeert aan die neiging niet toe te geven.

Bernard gaat verder: “Wij willen met de scholen hun trots delen, maar ook hun zorgen. Stel je voor dat een school voor ons iets belangrijks achterhoudt. Dat is een gemiste kans. Wij hadden kunnen helpen.” Hij vindt het daarom verstandiger als de inspectie voorwaardelijke en vertrouwelijke oordelen geeft. De scholen zijn dan openlijker en krijgen de kans om zich hopelijk tijdig te verbeteren.            

Schijnzekerheid     

Bernard, die voor zijn komst naar OMO directeur van de bètafaculteit van de Universiteit Utrecht was en aan diverse instituten in Frankrijk (zijn geboorteland), Engeland en de Verenigde Staten studeerde, heeft zo zijn bedenkingen bij de rapporten van de inspectie. Hij zegt: “Ik ga uit van de professionaliteit van de inspecteurs, maar het is heel ingewikkeld om causale verbanden te leggen tussen het fijnmazige testinstrumentarium van een school en de reële prestaties van haar leerlingen. Het gevaar is dat dergelijke rapporten uit beweringen en meningen van inspecteurs, los van empirie, kunnen bestaan.”

Hij voorziet dan ook dat schoolbesturen naar de rechter stappen en wijst op een gerechtelijke uitspraak, vorig najaar. De rechter verbood toen de inspectie de onderzoeksrapporten over drie scholen openbaar te maken.

De methode van de inspectie sluit falen van scholen overigens niet uit, aldus Bernard. Fouten zijn in het onderwijs niet altijd te voorkomen. Eigenlijk wordt de samenleving op deze manier een schijnzekerheid geboden. “Het zou beter zijn als het toezicht op scholen wordt beperkt tot een kleine set deugdelijkheidseisen, die controleerbaar zijn en waar ouders blindelings op kunnen vertrouwen.”

Dat de inspectie het predicaat ‘goed’ toekent aan scholen en betrokken is bij het excellentiepredicaat vindt hij niet functioneel. “Dat is iets voor consumentenorganisaties. De overheid gaat daarmee buiten haar boekje en schept verwarring. Wat moeten ouders hiervan denken?” Hij vertelt dat een van de scholen van OMO haar excellentiepredicaat wil laten rusten. “Het blijkt als een boemerang te werken, want al snel klinkt het verwijt na fouten: ‘Maar de school is toch excellent?’.” En hij zegt nog: “Er is een lage tolerantie ten opzichte van fouten maken.”     

Cultuur van OMO

In feite maakt de onderwijsinspectie duidelijk dat vertrouwen sowieso niet voldoende is. In weerwil hiermee wil men bij OMO het geloof in vertrouwen blijven koesteren. Hoe gaat dat in zijn werk?  

Elk jaar heeft het bestuur een officieel gesprek met elke school. Bernard: “We hanteren een stelsel dat een formele kant heeft en een informele. Het formele gaat over de externe en interne regels die gelden. Het informele heeft betrekking op de gesprekken die wij voeren, met name tussentijds. Wij zijn regelmatig op de scholen en praten dan met iedereen. We willen dichtbij zijn. We zijn dus op de hoogte. De inspectie heeft ons met haar bevindingen nooit verrast.”

“Hoe houd je de innovatieve spirit? Op de scholen die goed gaan, zijn wij het meest kritisch. Het risico is dat deze een zelfgenoegzame houding aannemen. Scholen waar problemen zijn, daar helpen wij een handje. Wij werken dus met hen op ooghoogte. Een wederkerig gevoel van vertrouwen ontstaat. Dat lukt niet als je controlerend optreedt.”

Vertrouwen is bijna nooit beschaamd, vertelt Bernard. “We grijpen dan in. Maar deze cultuur van vertrouwen laten wij ons niet afnemen. Anders komen wij in opstand.”

VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs