U bent hier

'Goed onderwijs, goed bestuur' stevent af op meerderheid in senaat

Ook in de Eerste Kamer tekent zich helaas een ruime meerderheid af voor het wetsvoorstel 'Goed onderwijs, goed bestuur'. Dat bleek op 19 januari 2010 tijdens het eerste deel van het debat over dit voorstel. Alleen CDA , ChristenUnie en SGP hadden fundamentele kritiek, in lijn met de bezwaren van de Besturenraad.

Ook in de Eerste Kamer tekent zich helaas een ruime meerderheid af voor het wetsvoorstel 'Goed onderwijs, goed bestuur'. Dat bleek op 19 januari 2010 tijdens het eerste deel van het debat over dit voorstel. Alleen CDA , ChristenUnie en SGP hadden fundamentele kritiek, in lijn met de bezwaren van de Besturenraad.

De drie partijen maken zich vooral zorgen over de dreigende inperking van de vrijheid van onderwijs, het gebruik van minimumleerresultaten als bekostigingsvoorwaarde en de eenzijdige focus op kwantitatieve resultaten. Alle deelnemende partijen bleken nog de nodige vragen te hebben aan de beide staatssecretarissen. VVD, PvdA en SP lieten echter duidelijk blijken de richting van het wetsvoorstel te steunen.

Artikel 23
CDA, ChristenUnie en SGP trokken de noodzaak en wenselijkheid van het wetsvoorstel in twijfel. Het CDA wees daarbij op het belang van artikel 23 van de grondwet. Het artikel "bevat een diepe wijsheid en is de uitkomst van eeuwen geschiedenis. [...] Vrijheid van onderwijs is niet iets dat gegund of vergund wordt, maar een grondrecht dat de overheid op gezag van de grondwetgever dient te erkennen en te respecteren", zei CDA-senator Dölle.

Namens ChristenUnie en SGP hekelde senator De Boer het gebruik van lid 1 van artikel 23 als legitimatie van het wetsvoorstel. Bovendien hebben regering en Raad van State volgens De Boer eerder gesteld dat het gezien de vrijheid van onderwijs niet de taak van de overheid is om de bevoegdheden binnen de rechtspersoon te regelen. Dit wetsontwerp doet dat wel door eisen te stellen aan het scheiden van bestuur en toezicht.

Minimumleerresultaten
De invoering van minimumleerresultaten als bekostigingsvoorwaarde legt volgens kritische senatoren een te grote nadruk op de kwantitatieve aspecten van onderwijs. Ook stelden zij de meer principiële vraag waar, ook gezien artikel 23, de grens ligt van het formuleren van bekostigingsvoorwaarden.

Dölle refereerde hierbij aan de brief die de Besturenraad samen met de Bond KBO en Bond KBVO naar de Eerste Kamer heeft gestuurd. De Boer wilde expliciet van de bewindslieden horen dat het bij minimumleerresultaten voor Nederlandse taal, rekenen en wiskunde blijft.

De beide woordvoerders hadden ook hun twijfels bij de proportionaliteit van het wetsvoorstel. Dölle vroeg in dit kader om een 'impact assessment' van de gevolgen van de invoering van de wet voor mensen, geld en tijd.

Het CDA had verder vragen bij de aanwijzingsbevoegdheid die in het voorstel is opgenomen. Deze komt in de voorgestelde vorm in geen enkele andere maatschappelijke sector voor. Waarom dan wel in het onderwijs? Bovendien bestaat volgens het CDA bij de vierde grond voor een eventuele aanwijzing door de minister - intimidatie en bedreiging van personeel, leerlingen of ouders - het gevaar van subjectiviteit. Deze grond zou strikt ingeperkt moeten worden.

Het debat wordt op 2 februari 2010 vervolgd met de beantwoording van de vragen door de regering.

 

MBO | PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs