U bent hier

Gemeenten vorderen onterecht de inkomsten uit verhuur van onderwijsruimten

Steeds meer gemeenten proberen onterecht de inkomsten die een school verkrijgt door de verhuur van leegstaande schoollokalen, te vorderen van deze scholen. Mr. Elise Visser-Buizert, advocaat bij de Besturenraad, heeft daar onlangs in SBM nog de aandacht op gevestigd. Nu is het de gemeente Alkmaar die een (nadere) regeling heeft vastgesteld om die extra inkomsten ‘af te romen’.

Op grond van artikel 108 WPO respectievelijk 76s WVO en 106 WEC kunnen schoolbesturen ruimten in schoolgebouwen die leegstaan (bijvoorbeeld door een teruglopend leerlingenaantal) verhuren aan derden. Ook zonder dat sprake is van leegstand kan onderwijsruimte buiten de schooluren worden verhuurd (meestal gebeurt dit aan kinderopvangbedrijven). Voor de verhuur moeten schoolbesturen wel toestemming hebben van het college van B en W.

In de praktijk blijkt het echter steeds vaker voor te komen dat B en W financiële voorwaarden verbinden aan deze toestemming. Het komt er doorgaans op neer dat het bestuur slechts die huurinkomsten mag houden, voorzover deze de exploitatiekosten van de betrokken ruimte niet overstijgen.

De inkomsten die de exploitatiekosten overstijgen zijn (geheel of voor een deel) voor de gemeente. Het argument dat de lokale overheid gebruikt voor het ‘afromen’ is dat de gemeente ooit de stichtingskosten van het gebouw betaald heeft. In de ogen van de gemeente kan ze daarom aanspraak maken op het grootste deel van de huurpenningen.

Financiële voorwaarde bij de toestemmingverlening terecht?
Met het feit dat deze stichtingskosten zijn betaald, is echter al rekening gehouden in de eerdergenoemde wetgeving. Zo ontvangen gemeenten de onderwijsruimten om niet in eigendom van de schoolbesturen wanneer het onderwijs er blijvend is opgehouden. Daarnaast ontvangen gemeenten niet voor niets bekostiging van het Rijk in het gemeentefonds om hun verplichting om voor adequate huisvesting te zorgen uit te kunnen voeren.

Belangrijker nog is dat uit de jurisprudentie van de Raad van State blijkt dat B en W slechts dan een financiële voorwaarde aan de toestemming mogen verbinden indien blijkt dat de hoogte van het gevraagde bedrag rechtstreeks is gerelateerd aan de extra kosten of derving van inkomsten voor de gemeente die de toestemming voor het verhuren van een deel van het schoolgebouw aan (bijvoorbeeld) een organisatie voor buitenschoolse opvang met zich brengt.

De Raad van State stelt verder dat niet kan worden aanvaard dat het zonder wettelijke grondslag opgelegde financiële voorschrift feitelijk het karakter krijgt van een belastingheffing, dan wel van ontneming van door de verhuur genoten voordeel.

Het opleggen van een financiële voorwaarde mag dus slechts onder stringente voorwaarden. De gemeente dient aan te kunnen tonen dat zij extra inkomsten derft dan wel extra kosten maakt doordat B en W toestemming voor het verhuren geven.

Het argument dat de gemeente/het Rijk de stichtingskosten in het verleden heeft betaald is dus geen valide argument. Doorgaans vindt er immers in vergelijking met de situatie dat er geen toestemming voor de verhuur wordt gegeven, geen wijziging in de hoogte van de stichtingskosten plaats.

Bij de invoering van het betreffende wetsartikel is in de Eerste Kamer gevraagd aan wie het voordeel van de huurinkomsten toekomt: het schoolbestuur of de overheid. Het antwoord luidde klip en klaar: volledig aan het schoolbestuur.

Huurbeleid
Ondanks dat de bovenstaande jurisprudentie bekend is, gaan steeds meer gemeenten ertoe over huurbeleid te maken, waarin schoolbesturen niet alleen verplicht worden de huurinkomsten – behalve de exploitatiekosten – aan de gemeente af te dragen, maar waarin ook de hoogte van de aan de huurder te vragen huurprijs dwingend wordt vastgelegd. Het moge duidelijk zijn dat dergelijk beleid in strijd is met de bedoeling van de wetgever en met de jurisprudentie.

In de huidige magere tijden, waarin niet alleen veel schoolbesturen merken dat het niet eenvoudig is een sluitende begroting rond te krijgen, maar waarin ook veel kinderopvangorganisaties onder druk staan door terugloop van het aantal kinderen, veroorzaakt deze houding van gemeenten daarnaast een ongewenst prijsopdrijvend effect en vormt zij een complicerende factor in de onderhandelingen tussen een schoolbestuur en een potentiële huurder.

Mr. Visser adviseert schoolbesturen niet akkoord te gaan wanneer ook in hun gemeente voorgesteld wordt een dergelijk huurbeleid vast te stellen. Wanneer dit huurbeleid desondanks wordt vastgesteld, kan tegen de toestemmingsbeschikking waaraan op basis van het huurbeleid een financiële voorwaarde wordt gesteld binnen zes weken bezwaar worden gemaakt bij B en W.

Vragen?

Met vragen kunt u terecht bij onze juridische helpdesk.

 

PO | VO | MBO | HBO | WO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs