U bent hier

De toezichthouder als bestuurder, da’s in strijd met de code Goed bestuur

De waarneming van het college van bestuur door een lid van de raad van toezicht is alleen onder bijzondere omstandigheden toelaatbaar voor een korte periode. In het algemeen is het onwenselijk dat toezichthouders andere betaalde werkzaamheden verrichten voor de organisatie waarop zij toezicht houden. Sterker: het waarnemen van de functie van bestuurder is in beginsel in strijd met de code ‘Goed bestuur’.

Dat oordeelde de rechtbank Limburg in november vorig jaar 

Een groot aantal onderwijsorganisaties heeft de scheiding tussen bestuur en (intern) toezicht vormgegeven door middel van een organieke scheiding: een college van bestuur en een raad van toezicht.

Als het bestuur wegvalt

In de statuten is altijd een bepaling opgenomen die betrekking heeft op de afwezigheid van een college van bestuur. Een dergelijke bepaling is veelal als volgt, of met woorden van gelijke strekking, geredigeerd:

“Ingeval van ontstentenis of belet van alle leden van het college van bestuur berust het bestuur tijdelijk bij één of meer door de raad van toezicht – al dan niet uit zijn midden – aan te wijzen personen, onverminderd de verplichting van de raad van toezicht zo spoedig mogelijk in het bestuur te voorzien.”

De regel is dat leden van de raad van toezicht niet tevens bestuurder van dezelfde organisatie kunnen zijn. In de ‘Code Goed Onderwijsbestuur VO’ is deze rolvermenging expliciet uitgesloten. Artikel 12 lid 2 eerste volzin luidt: “Zij die deel uitmaken van de functie van toezichthouder verrichten nooit taken die aan de (dagelijks) bestuurder toebehoren”

Nood breekt wet

Hieraan staat niet in de weg dat, indien geen ‘derde’ als interim bestuurder (direct) beschikbaar is, een lid van de raad van toezicht, zij het voor een zeer korte periode, de rol van bestuurder kan waarnemen. Immers: nood breekt wet, de organisatie zal bestuurd moeten worden.

Het betreffende lid van de raad van toezicht zal dan gedurende die periode zijn taak als lid van de raad van toezicht dienen neer te leggen.

Het spreekt voor zich dat deze ‘oplossing’ alleen in uiterste nood dient te worden toegepast en niet de voorkeur verdient.

Alleen al het feit dat de bestuurder tot voor kort praktiserend lid van de raad van toezicht was en weer in die functie terug zal keren, maakt de verhouding tussen de interim-bestuurder en de raad van toezicht tot een lastige en verzwakt in wezen het functioneren van de raad van toezicht.

mr. Hans Bruggeman

Met vragen kunt u terecht bij onze juridische helpdesk.

PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs