U bent hier

De nieuwe onderzoekskaders blijven de gemoederen bezig houden – part II

Minister Van Engelshoven reageerde deze week op een reeks kritische vragen over het nieuwe onderzoekskader die de Onderwijscommissie begin oktober stelde. Volgens Van Engelshoven maakt de inspectie via het nieuwe onderzoekskader een duidelijk onderscheid tussen haar oordelende en stimulerende rol. De inspecteurs brengen die scheiding tussen die rollen tijdens de onderzoeken actief en begrijpelijk voor bestuurders en scholen in de praktijk.

Doen de kaders recht aan de wet?

Het CDA vroeg aan de minister of zij kon aangeven in hoeverre de nieuwe onderzoekskaders tegemoet komen aan het initiatiefwetsvoorstel Bisschop, Van Meenen en Rog over het inspectietoezicht waarin een scheiding is aangebracht tussen de oordelende rol (op basis van deugdelijkheidseisen) van de inspectie en de adviserende rol ten aanzien van andere zaken. Ook vroeg het CDA of deze scheiding in rollen in de praktijk wordt gebracht door de inspecteurs en wat de ervaringen van de scholen zijn?

In haar antwoord geeft de minister aan dat de inspectie via het nieuwe onderzoekskader een duidelijk onderscheid heeft tussen haar oordelende en stimulerende rol. Vervolgens brengen de inspecteurs die scheiding tussen de rollen tijdens de onderzoeken actief en begrijpelijk voor bestuurders en scholen in de praktijk. Omdat de inspectie pas sinds augustus 2017 werkt met deze nieuwe kaders zijn de ervaringen van scholen nog niet bekend. In 2019 worden resultaten van een tevredenheidsonderzoek onder besturen en scholen verwacht.

Pedagogisch-didactisch handelen

Op de vraag van GroenLinks naar het pedagogisch-didactisch handelen van het onderwijspersoneel geeft de minister aan dat een aantal kwaliteitsaspecten uit de WOT zijn gehaald en nu in het schoolplan staan. Die maakten eerst deel uit van het waarderingskader en zijn nu opgenomen als onderdeel van het schoolplan. Daarmee kan de inspectie toch een oordeel geven over de naleving van deze bepalingen. Dit betekent niet, aldus de minister, dat de inspectie een oordeel gaat geven over het pedagogisch-didactisch handelen (die beoordeling is aan de school zelf), maar alleen een beoordeling van de vraag of het pedagogisch-didactisch handelen onderdeel is van de beschrijving van het personeelsbeleid.

Verus niet akkoord

De SGP vroeg zich af hoe het kan dat over de als technisch bedoelde wijzigingen meningsverschillen zijn ontstaan en dat Verus zelfs goedkeuring heeft onthouden. De onderzoekskaders behoeven geen instemming van de leden van het ringenoverleg, schreef de minister. De inspectie streeft echter wel naar een zo breed mogelijk draagvlak. In dit specifieke geval heeft de inspectie contact opgenomen met Verus, nadat Verus schriftelijk had aangegeven het met twee wijzigingen niet eens te zijn en zijn  er enkele wijzigingen aangebracht in de tekst.

Wijzigingen, pilot reggelluwe scholen en angst voor de inspectie

Tot slot vroeg het CDA om een helder overzicht van de wijzigingen ten opzichte van het vorige kader. Die wijzigingen staan inmiddels op de site van de inspectie. Het pleidooi van D66 voor deelname van alle scholen aan de pilot regelluwe scholen vindt geen gehoor. Alleen scholen die ‘goed’ of ‘excellent’ zijn mogen hieraan deelnemen. Volgens D66 benutten mbo-instellingen niet de maximale ruimte die wet- en regelgeving bieden uit angst voor de inspectie. De minister verwijst naar de brochures ‘Ruimte in Regels’ (po), ‘Ontdek de Ruimte’ (vo) en ‘Ruimte in Regels’ (mbo)

Ontwerp jaarplan 2019

Op een vraag van het CDA geeft minister Van Engelshoven aan dat vanaf 2020 de inspectie inzichtelijk gaat maken welke onderwerpen uit de Staat van het Onderwijs in haar jaarwerkplan terugkomen en voor welke onderwerpen dit niet geldt. Ook zal de inspectie voortaan waar mogelijk in het jaarwerkplan refereren aan de relevante wetsartikelen bij haar activiteiten en/of een expliciete motivering geven voor haar activiteiten.

Naar aanleiding van de passage in het jaarplan ‘Over het gerealiseerde curriculum in het funderend onderwijs weten we betrekkelijk weinig. Scholen hebben een grote autonomie in het bepalen van hun aanbod en kunnen daardoor behoorlijk van elkaar verschillen. We willen voor het primair onderwijs komen tot meer zicht op het geplande (op methoden gebaseerde) curriculum en het feitelijk aangeboden curriculum. Welke keuzes maken scholen en wat is daarvan het effect?’ wil het CDA graag weten tot hoever de rol van de inspectie rijkt.

Het betreffende onderzoek van de inspectie gaat volgens de minister over het beoogde aanbod (zoals bijvoorbeeld beschreven in het schoolplan) en het gerealiseerde aanbod van scholen. Het is volgens haar van belang om te weten wat het effect is van de invulling van het curriculum op de resultaten van leerlingen. Er is in Nederland weinig zicht op hoe scholen hun onderwijstijd verdelen over de vak- en aandachtsgebieden en op wat de keuzes die scholen daarin maken betekenen voor de realisatie van de kerndoelen en het bereiken van de referentieniveaus. Dit zijn deugdelijkheidseisen waar de inspectie toezicht op houdt, schrijft minister Van Engelshoven.

Heeft u zelf vragen over de nieuwe onderzoekskaders? Neem contact op met Wout Neutel

PO | VO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs