U bent hier

De diepte in met… Renée van Riessen

Liefde voor het vak, dat heeft Renée van Riessen zeker. Als bijzonder hoogleraar christelijke filosofie is ze gegrepen door het werk van Buber en Levinas, maar praat even hartstochtelijk over Vondel en Multatuli. Ze windt zich op over de teloorgang van de klassieken in het Nederlandse onderwijs en de uitholling van het leraarschap. “Je kunt als docent alleen maar inspireren als je iets brengt waar je enthousiast over bent.”

Renée van Riessen (64) is filosoof én dichter. Op filosofisch terrein schreef ze recent over Augustinus,  Kierkegaard en de ziel en publiceert ze binnenkort een boek over Levinas. Op poëtisch gebied is het al tien jaar stil. Is de dichtader dichtgeslibd? Nee hoor, stelt ze haar gast aan de eettafel in Kampen gerust. “Ik publiceer wel in tijdschriften, maar voor bundelen heb ik bezinkingstijd nodig. En die ontbreekt. De week zit een beetje te dicht.” Niet zo vreemd, met twee drukke universitaire banen. Van Riessen doceert christelijke filosofie in Leiden en (godsdienst)filosofie in Groningen.

Een mooie combinatie, filosofie en poëzie. Wat hebben ze gemeen?
“Beide hebben met taal te maken. En met vrijheid van denken. Heidegger zegt dat filosofie en poëzie elkaar toeroepen, vanaf verschillende bergen. Ze moeten dus niet op elkaars stoel gaan zitten, maar hebben elkaar wel wat te zeggen. Dat vind ik een mooi beeld. Ik moet als filosoof niet gaan dichten en als dichter niet te veel filosoferen.”

Hoe kwamen de twee disciplines in uw leven?
“Dat heeft met mijn leraren te maken, maar zeker ook met mijn vader. Hij was in filosofie geïnteresseerd en had veel gedichten in de kast staan. Zijn broer Henk was actief als filosoof. Mijn vader was dierenarts en ik zat vaak bij hem in de auto. Als ik vroeg wat oom Henk deed, antwoordde hij: die denkt na over de verschillen tussen gezin, school en kerk. Als ik vroeg wat filosofie is, zei hij: filosofie is denken over het denken. Dat vond ik toen al een hele aardige.”

Welke rol speelden de leraren?
“Ik heb gymnasium gedaan. Via Grieks en Latijn kregen we een beetje filosofie; Plato en Socrates vond ik fascinerend. De docent Frans begon meteen in het eerste jaar  – moet je nagaan, we waren twaalf, dertien jaar – over Proust en Bergson, want daar was hij zelf helemaal vol van. De leraar Duits liet ons de Kindertotenlieder van Mahler horen. Zelf zat hij er een beetje bij te wenen. En de docent Nederlands las met ons gewoon Het uur u van Nijhoff, een heel lang, filosofisch gedicht. Na afloop dacht ik: dit moet iedereen geweldig vinden. Maar vaak was ik de enige. En ik wist: ik wil óók gedichten schrijven.

Een vormende kracht was ook onze dominee, Jaap Ozinga. Ik vond het altijd jammer wanneer zijn catechisatie was afgelopen. Hij dacht na over geloofsvragen in een breder verband. Het ging niet over de vraag of de Bijbel letterlijk waar was, maar wat het geloof bijdraagt aan je visie op het leven. Ik ben op de Veluwe opgegroeid, in een vrolijk gereformeerd gezin. Maar ik zag in mijn omgeving wel veel angst voor God. De lijn van Ozinga was: God is geen boze geest achter de wolken, die erop uit is jou een loer te draaien. Hij preekte altijd uit het Nieuwe Testament, want in de handelwijze van Jezus zie je hoe God bedoeld is. Dat moeten we steeds opnieuw leren, zei hij, door telkens de verhalen te lezen. Want het is een religieuze drang van mensen om van God iets anders te maken.”

Was snel duidelijk dat het filosofie moest worden?
“Ik heb erg getwijfeld. Ik schreef me eerst in voor Nederlands, maar vond dat al snel te beperkt. Ik haalde wel mijn onderwijsbevoegdheid, maar mijn hoofdvak werd filosofie. Dat had in die tijd nog de naam dat je er écht niks mee kon, dus mijn vader zei: je blíjft Nederlands studeren, want je moet wel je brood verdienen. Maar ik heb altijd wat kunnen doen met filosofie. Ik ben hier in Kampen begonnen op de christelijke kunstacademie. Prachtig. Later kwam daar de gereformeerde Theologische Hogeschool bij, een wat academischer omgeving waarin ik ook kon promoveren.

 

Paspoort
Geboren: 1954, Lunteren. Haar vader was dierenarts, oom Henk van Riessen doceerde reformatorische wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit (VU).
Schoolcarrière: Gymnasium op het Christelijk Streeklyceum in Ede. Wijsbegeerte en Nederlands aan de VU. In 1992 promoveerde zij op Erotiek en dood over de filosofie van Levinas.
Werkcarrière: docent filosofie aan de Kunstacademie Kampen (1980-1985). Docent (godsdienst) filosofie aan de Protestantse Theologische Universiteit en de voorloper hiervan (sinds 1985). Bijzonder hoogleraar christelijke filosofie aan de Universiteit Leiden (sinds 2011).
Publicaties: o.m. ‘Augustinus modern en postmodern gelezen’ (2009), ‘De ziel opnieuw’ (2013), ‘Wat bezielt Kierkegaard?’ (2014). Daarnaast publiceerde ze vier dichtbundels; als laatste ‘Krekels in de keuken’ (2008).
Privé: getrouwd, moeder van twee dochters.

Wie zijn uw filosofische ‘leraren’?
“Vanaf het begin heb ik grote aantrekkingskracht gevoeld van Plato en Augustinus, twee grote denkers en schrijvers. De filosofie van Buber, héél mooi. Hij heeft het over Ich und Du, over de dialoog tussen mensen, maar ook de werkelijkheid als dialoog. Dialoog is niet alleen dat wij nu in gesprek zijn met elkaar en dat daarbuiten ergens de wereld is. Nee, terwijl wij spreken, zijn we ook in dialoog met de hele wereld, inclusief God. Pas dan gaat de wereld leven. En loop jij straks naar buiten en kom je misschien een boom tegen, dan zegt die boom jou, op zijn eigen manier, misschien ook wat. De wereld heeft je wat te zeggen. Dat is iets heel anders dan die wereld alleen maar efficiënt gebruiken en naar je hand zetten. Buber brengt dat knap in verband met God. God is volgens hem de gedachte en de oerbron van het in dialoog zijn. Mensen – ook aan de universiteit – maken vaak een object van God, dat je kunt bewijzen of beredeneren of waaraan je zekerheden kunt ontlenen. Allemaal misverstanden, zegt Buber. Het enige wat God wil, is dat we met Hem in gesprek zijn, en met de ander en dus met de werkelijkheid. De werkelijkheid wil verlost worden. Er deugt van alles niet; sla de krant er maar op na. Voor die verlossing heb je jezelf nodig, de ander, God en het principe van de dialoog.”

En via Buber belandde u bij Levinas?
“Ja, Levinas kun je als leerling van Buber beschouwen. Maar hij vond dat Buber iets te veel op het spirituele was gericht. Zijn eigen filosofie probeert antwoord te geven op de vraag wat het betekent om iemands naaste te zijn. Hij zegt: naaste word je, en vaak op een onverwachte, ongeplande manier. Zoals in Jezus’ gelijkenis over de Barmhartige Samaritaan. Het waren niet voor niets een priester en een Leviet die de man langs de kant van de weg voorbijliepen; zij hadden religieuze taken die kennelijk belangrijker waren dan concrete hulp te bieden, zoals de Samaritaan deed. Maar dat laatste is volgens Levinas de échte religieuze plicht. Het zijn de weduwe, de wees en de vreemdeling om wie je bekommerd moet zijn. Die andere mens valt jou toe, en daar moet je wat mee. Je ontmoet die ander als gelaat, zegt Levinas. Op dat gelaat staat iets te lezen: je mag mij niet doden. Dat moet je volgens Levinas omzetten in iets positiefs: laat me leven. Oftewel: draag eraan bij dat ik kan en mag leven. Dat is de opdracht van elk mens in de ontmoeting met de ander.”

Hoe klinkt dat door in uw colleges?
“Ik breng die vier of eigenlijk vijf filosofen – want ik vergat Kierkegaard – weleens met elkaar in gesprek tijdens de colleges in Leiden. Dan lezen we hun werk en zoeken de verschillen. En vragen ons af hoe je daar als student zelf positie in kunt kiezen. Studenten zoeken vaak een bepaald levensperspectief. Tijdens de colleges probeer ik ook hun existentiële vragen boven water te krijgen. Ze staan daarvoor open, ze hebben grote belangstelling voor thema’s als God, liefde, verlossing en de ziel en gaan daar onbevangen mee om. Ik vind dat ze moeten weten dat er in de filosofie ook zoiets als een christelijk perspectief bestaat, al hoef ik ze nergens van te overtuigen. Ze moeten zelf omgaan met wat ze hebben meegekregen van thuis en zien hoe ze dat verder ontwikkelen.” 

Wat is in uw eigen lessen belangrijk?
“Dat ik zelf warmloop voor de onderwerpen waarover ik les geef. Anders kan ik wel ophouden. De liefde voor het vak is een heel belangrijk onderdeel van het leraarschap. Ik ben geen voorstander van het algemene docentschap, dat steeds meer opkomt: als je maar een band hebt met de leerling, komt de rest vanzelf wel. Dat werkt misschien in het basisonderwijs, maar daarna zeker niet. Stel dat je als docent hebt gekozen voor Frans en de school vindt dat je net zo goed Duits kunt geven. Dat is toch geen respect voor je band met het vak? Met oog op bezuiniging of flexibilisering klinkt er een mooi praatje over een inspirerende band met de leerling. Maar je kunt als docent alleen maar inspireren als je iets brengt waar je enthousiast over bent. Persoonsvorming in het onderwijs gaat niet van persoon tot persoon, maar via de stof, maar dan wel de stof die de docent na aan het hart ligt. Zoals die leraar Frans mij kon wakker maken met zijn verhalen over Proust en Bergson.”

Da’s een lastig pleidooi in deze tijd.
“Dat is dan maar zo. Tegenwoordig lijkt het meer om competenties te gaan dan om goed gekozen inhouden. Gevaarlijk vind ik dat. Neem Nederlands op de middelbare school; dat is helemaal competentiegericht gemaakt. Wat lezen leerlingen? Moeilijke krantenartikelen. Of ze Vondel of Multatuli hebben gelezen, doet er niet toe. Terwijl je juist van die klassieken leert, inhoudelijk en ethisch. Het zijn producten van blijvende waarde. Zo’n krantenartikel ligt morgen in de kattenbak. Nederland is wel een heel plat land. In Engeland of Italië zal zoiets niet gebeuren; daar blijven ze gewoon Shakespeare en Dante lezen.”

U schreef over de ziel. Heeft onderwijs op dat punt een taak?
“Jazeker, goed onderwijs heeft alles met de ziel te maken. Wat versta ik onder de ziel? Een verhouding tot mijzelf: ik weet dat ik iemand ben en kan mij daartoe verhouden. Ik kan over mezelf nadenken. Goed onderwijs stelt kinderen en jongeren in staat om zo met zichzelf om te gaan: als iets wat is, maar ook nog moet worden. Het inspireert en biedt van alles aan, maar de leerling is uiteindelijk vrij om eigen accenten te kiezen. Als leraren weten we nooit welke kant de ontwikkeling op gaat. Die toekomst kunnen we niet maken. En daar zit iets heel bevrijdends in.”

Tekst: Bert van der Kruk | Foto: Ruben Schipper

Paspoort
Geboren: 1954, Lunteren. Haar vader was dierenarts, oom Henk van Riessen doceerde reformatorische wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit (VU).
Schoolcarrière: Gymnasium op het Christelijk Streeklyceum in Ede. Wijsbegeerte en Nederlands aan de VU. In 1992 promoveerde zij op Erotiek en dood over de filosofie van Levinas.
Werkcarrière: docent filosofie aan de Kunstacademie Kampen (1980-1985). Docent (godsdienst) filosofie aan de Protestantse Theologische Universiteit en de voorloper hiervan (sinds 1985). Bijzonder hoogleraar christelijke filosofie aan de Universiteit Leiden (sinds 2011).
Publicaties: o.m. ‘Augustinus modern en postmodern gelezen’ (2009), ‘De ziel opnieuw’ (2013), ‘Wat bezielt Kierkegaard?’ (2014). Daarnaast publiceerde ze vier dichtbundels; als laatste ‘Krekels in de keuken’ (2008).
Privé: getrouwd, moeder van twee dochters.
PO | VO | MBO | HBO | WO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs