U bent hier

De aangescherpte burgerschapswet: dit wordt er verwacht in de praktijk

De aangescherpte burgerschapswet is bijna drie maanden in werking. Tijd om alles weer even helder op een rijtje te zetten wat deze aangepaste wet nu concreet voor jouw school betekent en enkele vragen hierover voor te leggen aan Anne Bert Dijkstra, die bij de Inspectie van het Onderwijs verantwoordelijk is voor het toezicht op de sociale aspecten van onderwijskwaliteit, zoals burgerschap.

''Als je naar de nieuwe burgerschapswet kijkt, is er in vergelijking met de vorige wet niet heel veel veranderd, zou je kunnen zeggen. Het draait er nog altijd om dat jonge mensen op een goede manier met elkaar te leren omgaan en hun weg in onze samenleving en de democratische rechtsstaat, te vinden’’, begint Dijkstra. Maar de inhoud van de nieuwe wet vraagt wel nadrukkelijker van scholen om de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en sociaal-maatschappelijke competenties te bevorderen. Hiervoor zijn concrete leerdoelen nodig, met een doelgerichte aanpak en samenhangend aanbod. ‘’Er zijn al veel scholen die burgerschap aandacht geven, zoals in de vorm van projecten of met methodes. Maar in de nieuwe wet wordt hier een nader accent op gelegd, en verwacht dat scholen concrete leerdoelen formuleren en nastreven.’’

De wet vraagt van scholen om bewuster en doelgerichter met burgerschapsvorming om te gaan. Zoals Dijkstra eerder al aangeeft, doen veel scholen al veel op dit gebied. ‘’Maar belangrijk is dat denken vanuit de concrete leerdoelen die zij hebben opgesteld: Wat willen we leerlingen mee hebben gegeven op het gebied van hoe je met mensen omgaat, hoe de democratie werkt en hoe je je bijvoorbeeld in de publieke ruimte gedraagt?’’, vertelt Dijkstra. Dat vraagt uitwerking in concrete leerdoelen, voor kennis, en houding en gedrag, die vertaald worden in een bijpassend aanbod: activiteiten en gebeurtenissen die in de school plaatsvinden, waarin concreet en in samenhang aan deze doelen wordt gewerkt en. Zo vraagt de wet om regelmatig, met de leerdoelen die de school nastreeft in het achterhoofd, na te gaan wat leerlingen hebben geleerd, wat goed gaat en waar meer aandacht voor nodig is.

Inzichtelijk maken

Op welke manier scholen dit meten, laat de wet aan de school. ‘’Wel of geen meetbare opbrengsten is niet de meest interessante vraag. De inspectie zal in elk geval niet verdergaan dan de wet voorschrijft. Het belangrijkste is dat scholen, zoals de wet vraagt, inzichtelijk maken welke kennis, houding en vaardigheden leerlingen zich eigen hebben gemaakt. Dat is belangrijk om het onderwijs goed op wat leerlingen nodig hebben te laten aansluiten, en om verantwoording af te leggen. Of dat met een portfolio en rapportcijfer is of door het bijhouden van hoe leerlingen aan projecten meedoen, is aan scholen zelf. Als je kijkt naar wat de wetgever vraagt, gaat het erom dat scholen een goed beeld hebben van de leerresultaten, scholen hun onderwijs aanpassen als dat nodig is om de leerdoelen te bereiken,  en daarover verantwoording afleggen. Dat maakt het belangrijk dat de gegevens over de resultaten betrouwbaar zijn, en de school voor ieder inzichtelijke criteria waarmee beoordeeld kan worden of leerlingen de leerdoelen beheersen. Vaak is een gestandaardiseerd meetinstrument dan een goede en handige manier om dat te doen, maar die keuze is aan de school. De minimale inhoudelijke kern waaraan burgerschapsvorming moet voldoen zijn in ieder geval de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Denk hierbij aan verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid en vrijheid van meningsuiting.‘’

Vrijheid van onderwijs

Dijkstra zet bij de invulling van het burgerschapsonderwijs ook een dikke streep onder de vrijheid van onderwijs. Hij benadrukt dat dit in de wet een belangrijk uitgangspunt is en dat scholen vanuit hun eigen idealen kunnen bepalen wat het ‘goede leven’ is en waarop ze leerlingen willen voorbereiden. ‘’De ‘grens’ die hier geldt zijn de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat is een voor alle scholen verplichte kern en de grens waar alle onderwijs zich aan moet houden. Dat betekent dat je als school leerlingen laat kennismaken met wat vanuit de opvattingen van de school belangrijk is, maar ook dat je leerlingen laat zien dat er andere opvattingen zijn, ze leert verdraagzaam te zijn en leerlingen helpt zelfstandige en eigen keuzes te maken. En dat je hen ook rekening leert houden met dat je samen leeft in een land waar mensen andere opvattingen hebben.’’

Hoe scholen invulling geven aan het omgaan met die basiswaarden in hun leerdoelen, is aan henzelf. ‘’Een protestants-christelijke of katholieke school zal dat bijvoorbeeld op een andere manier doen dan een school die niet op godsdienstige uitgangspunten is gebaseerd’’, zegt Dijkstra. Dit geldt ook voor de sociaal-maatschappelijke competenties. ‘'Dat betekent ook,'’ zegt Dijkstra, ‘'dat het niet om de term burgerschapsvorming gaat en scholen ook andere aanduidingen hebben voor waarover het gaat, zoals vorming of levensbeschouwing. ‘’Centraal staat het bevorderen van de basiswaarden en sociale en maatschappelijke competenties. Dat kan op allerlei manieren en plaatsen. Als je de doelen van bevordering van burgerschap wilt koppelen aan levensbeschouwing, dan kan dat een prima invulling zijn. Als de doelen zoals de wet die van scholen vraagt te bevorderen, met basiswaarden als kern, maar op een herkenbare manier worden ingevuld, waarbij het curriculum en de leerdoelen herkenbaar in de praktijk worden gebracht.’’

Concrete leerdoelen

En of dat een moeilijke opdracht is? Dijkstra relativeert die vraag: “Vorming is al zo oud als de school zelf. Daarvoor klopt het hart van het onderwijs. De wet vraagt, en de inspectie ziet daarop toe, dat concreet en herkenbaar vorm te geven. Dat begint erbij dat je concrete leerdoelen met elkaar afspreekt, bijvoorbeeld dat het aanleren van verdraagzaamheid en het tegengaan van discriminatie belangrijk zijn. Dat kan dan bijvoorbeeld betekenen dat als een leraar in de pauze op de gang loopt en een leerling, uit een andere klas, het scheldwoord ‘homo’ gebruikt, het niet de individuele keuze van de leraar de leerling daarop aan te spreken of niet, maar daarover binnen de school afspraken zijn gemaakt, in lessen aandacht aan zo’n scheldwoord wordt gegeven. Dat zijn voorbeelden van een concrete, samenhangende aanpak.''

Kortom: voor de burgerschapsopdracht is het belangrijk dat scholen een visie op het goede leven hebben, waarin ook de basiswaarden van de democratische rechtsstaat zichtbaar zijn en die vertaalt naar leerdoelen en een aanbod, met methodes, pedagogische afspraken en dergelijke als uitwerking daarvan. ‘’Het is dan belangrijk als school dat je ook laat zien dat je die afspraken waarmaakt. Het gaat dan om een transparant aanbod, nagaan of de leerdoelen worden gerealiseerd, het onderwijs waar nodig aanpassen en laten zien wat leerlingen hebben geleerd. Dat is niet anders dan bij kwaliteitszorg in het algemeen, waarbij scholen blijven nadenken over de vragen of de doelen worden bereikt en het onderwijs nog verbeterd kan worden? Juist die ruimte voor eigenheid, betekent dat de school ook transparant moet zijn in hoe zij die eigenheid realiseert.’’

Beluister hier de podcast van de inspectie over de aangescherpte burgerschapswet. Bekijk hier het volledige burgerschapsaanbod van Verus.

PO | VO | MBO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs