U bent hier

Burgerschap: geven en nemen

Scholen moeten – opnieuw – werk maken van hun burgerschapsonderwijs. Sommige scholen zitten daarmee in hun maag, andere zien juist mooie kansen. Als het aan pedagoog Gert Biesta ligt, doordesemt de burgerschapsvorming het hele onderwijs. “Scholen mogen zich er niet te makkelijk vanaf maken: kom, we kwakken het op vrijdagmiddag ergens in het curriculum.”

Tekst: Bert van der Kruk

Dit najaar ontvangt de Tweede Kamer een wetsvoorstel waarin de wettelijke kaders voor burgerschapsvorming scherper staan omschreven. Hoe de wet er precies uit ziet, is nog een  verrassing. Bij een internetconsultatie in 2018 over een eerdere versie was veel kritiek. De  Onderwijsraad vond bijvoorbeeld dat de regering scholen te weinig richting geeft. Verus liet onder meer weten dat de burgerschapsopdracht de pedagogische vrijheid van scholen aantast.

Scholen hebben sinds 2006 de wettelijke opdracht om in hun onderwijsaanbod aandacht te schenken aan burgerschap. Echt ingeburgerd raakte dat niet. Aan de ene kant vonden scholen het ingewikkeld (wat moeten we dan precies doen?), aan de andere kant benoemden ze het juist als een van hun kerntaken (natuurlijk zijn wij daarmee bezig). Door veranderingen in de samenleving – polarisatie, immigratie, racisme – ontstond de roep om meer aandacht voor burgerschap. Ook wetenschappelijke onderzoeken wezen op het belang daarvan: hieruit blijkt dat Nederland te kort schiet wat betreft het aanleren van het belang van democratie.

Kerndoel in plaats van wet

Het is de vraag of de wet de plek is om het burgerschapsonderwijs aan te scherpen, stelt Jacomijn van der Kooij, adviseur bij Verus. “Misschien zijn kerndoelen daarvoor een betere plek. Los daarvan hangt de visie op burgerschapsvorming zo nauw samen met de identiteit van een school – met de kijk op de mens en de samenleving – dat de overheid daarin niet te veel mag voorschrijven. Wij zijn een land met vrijheid van onderwijs en scholen mogen pedagogische en levensbeschouwelijke waarden delen met hun leerlingen. Wij zien ook dat ze dat op een open en positieve manier doen.”

Dat de overheid iets te zeggen wil hebben over democratisch burgerschap, is volgens Van der Kooij prima. “Dan hebben we het over het bevorderen van democratisch handelen, het stemmen, het omgaan met vrijheid en gelijkheid, noem maar op – de spelregels van onze samenleving.”

Maar over sociaal en moreel burgerschap gaat de staat niet, dat zijn de domeinen van school en samenleving. “Een collega van me gebruikt daarvoor graag een voetbalmetafoor: de regels van het spel moeten voor iedereen helder zijn, maar of je kiest voor een 4-4-2 of 4-3-3 opstelling of voor Ajax of Feyenoord bent, bepaalt iedereen zelf.”

Nogal nationalistisch

In de eerste versie van het voorstel ging de regering echter wel wat verder, constateert ook pedagoog Gert Biesta. “Met het benadrukken van Nederlandse waarden gaat het denken van het ministerie nogal de nationalistische kant op. Volgens mij moet in burgerschapsonderwijs centraal staan dat Nederland een democratische samenleving is, waaraan bepaalde waarden ten grondslag liggen die we in het onderwijs en de samenleving zo goed mogelijk moeten verzorgen. Dat is iets anders dan onze Nederlandse waarden centraal stellen.”

Daarmee creëer je immers al snel een tegenstelling tussen ‘ons en de anderen’, stelt Biesta. “Je zegt: wij zijn de mensen met deze waarden en anderen hebben die waarden niet; als die erbij willen horen, moeten ze onze waarden aannemen. Terwijl een democratische samenleving begint bij het principe dat niet iedere mens hetzelfde is en hetzelfde denkt en er voor iedereen ruimte is om naar eigen overtuiging te kunnen leven.”

Democratische kwaliteit

Daarvoor moeten waarden als vrijheid, gelijkheid en ook solidariteit gekoesterd worden. “Dat is de grondslag, de infrastructuur van de samenleving; het is geen set waarden waarvan een bepaalde groep kan zeggen: die zijn van ons. Als we het in een diverse en plurale samenleving willen uithouden met elkaar, moet we ze sámen verzorgen. Aanscherping van de burgerschapsopdracht draagt het risico in zich dat tegenstellingen rondom democratie juist vergroot worden. De polarisatie, waar scholen nu ook tegenaan lopen, wordt er eerder door versterkt.”

Burgerschapsonderwijs gaat volgens Gert Biesta allereerst om de democratische kwaliteit van de samenleving. Daar heeft de overheid zeker wat over te zeggen, net als over de maatschappelijke omgangsvormen. Daarnaast leven binnen allerlei verschillende groepen in het land ideeën over wat  goed leven en samenleven is. “Scholen hebben daaraan zelf een bijdrage te leveren, vanuit hun eigen tradities, geschiedenis en praktijk.”

Geven en nemen

Daarmee komt ook de vrijheid van onderwijs in beeld, die “vaak nogal defensief benaderd wordt”, zegt de pedagoog. “Scholen zeggen: wij willen dat de overheid ons vrij laat. Ze zouden ook kunnen zeggen: wij zijn vrij om de kwaliteiten van onze tradities te laten zien en te delen in de samenleving. Dus niet de vrijheid om te nemen: in eigen kring afgeschermd te blijven. Maar de vrijheid om te geven: om het mooie en waardevolle in die tradities ook zichtbaar te maken en te delen met de nieuwe generaties.”

Op het gebied van burgerschap betekent dat bijvoorbeeld laten zien dat samenleven meer is dan je alleen maar aan regeltjes houden. “Als je er alleen van buitenaf op blijft drukken, creëer je nooit een positieve energie bij leerlingen. Ze moeten ook van binnen ervaren dat het moeilijk kan zijn om in vrijheid en gelijkheid met elkaar om te gaan. Het gaat nooit alleen om wat je als individu of groep wilt, je moet je altijd realiseren dat er andere mensen zijn die andere dingen willen. Democratie is, plat gezegd, geven en nemen.”

Begrijpen dat er een wereld buiten jou is

Daar zit ook meteen de moeilijkheid. Met dat nemen zit het tegenwoordig wel goed bij veel mensen. Maar hoe maak je leerlingen duidelijk dat democratie ook betekent dat ze niet alles kunnen krijgen wat ze willen, omdat er ook genoeg voor andere mensen moet zijn? “De essentie van het burgerschapsonderwijs zit niet in een uitleg over het parlement of de verkiezingen of in de boodschap aan leerlingen dat ze zich moeten aanpassen aan regels. De essentie is het verlangen wekken om echt democratisch te leven, dus nooit jezelf in het centrum te plaatsen, maar altijd begrijpen dat er een wereld buiten jou is die ook een stem heeft.”

Daar hebben scholen ook andere vormen voor nodig, die deze democratische ervaring oproepen. Gert Biesta gebruikt het beeld van de steenhouwer: je wilt uit een stuk steen een beeld maken, maar ontdekt dat die steen ook zijn eigen integriteit heeft en niet alles toelaat. Theater en kunst kunnen dezelfde ervaring oproepen, net als sport of dans. “Daarin kom je je eigen lichaam tegen, je eigen mogelijkheden en beperkingen. Een bijzondere leerervaring.”

Hij wil maar zeggen: “Burgerschapsonderwijs begint niet met argumenteren in een kring, waarbij het krachtigste argument uiteindelijk de doorslag geeft. Dat is rationeel en verbaal, en raakt het hart van de zaak en dus het hart van de leerling niet. Het dient het hele onderwijs te doordesemen.” Biesta ziet graag dat scholen op dit punt veel bewuster met hun mogelijkheden omgaan – en dat is dan weer winst van de nieuwe aandacht die de overheid er nu voor vraagt. “Zodat ze zich er niet te makkelijk afmaken: kom, we kwakken het op vrijdagmiddag ergens in het curriculum.”

Bezield en kritisch

“Ik ben blij dat burgerschap wordt afgestoft”, zegt Gerrit Klaassen, identiteitsbegeleider bij een aantal katholieke stichtingen aangesloten bij Convent PO in Twente en de Achterhoek. “Natuurlijk hoor ik her en der ook de eerste reflex: o jee, daar heb je weer iets waar we wat mee moeten. Maar dan heerst er ook snel het besef: wat de overheid wil, willen we dat misschien niet ook zelf? De  maatschappij, dat zijn we toch zelf? Wat is onze eigen verantwoordelijkheid?”

Klaassen: “Ik zie er een mooie kans in om zo ook bezield en kritisch burgerschap op de agenda te zetten. Vanuit de christelijke traditie valt daarover wel wat te zeggen. Enkel met instrumenteel, hapklaar burgerschap schiet je niks op. Dan ben je een burger die in de rij staat, met een BSN-nummer. We zijn toch meer dan dat? Ieder mens heeft een verhaal; laten we hopen en nastreven dat dat verhaal ook gehoord wordt.”

Dat betekent ook dat waarden als autonomie, diversiteit of flexibiliteit kritisch bevraagd dienen te worden, stelt de identiteitsbegeleider. “Daar kunnen we eigen accenten in aanbrengen, ook vanuit een katholiek en christelijk sociaal denken. Daardoor krijg je diepte, perspectief. Niet alles wat vanuit de overheid komt, hoeven we voor zoete koek te slikken, net zo min als alles uit de traditie waaruit we zelf komen. Een en ander moet telkens opnieuw aan elkaar gespiegeld worden.”

Wat bindt ons?

Een aantal scholen is er inmiddels mee aan het pionieren. Teams van stichting Katholiek Onderwijs Enschede bijvoorbeeld inventariseerden afgelopen jaar wat er op dit vlak al in de school gebeurt en proberen een gedeelde visie op burgerschap te ontwikkelen. Annemarie Pipers, leerkracht in groep 7 van De Troubadour in Glanerbrug: “Het is een containerbegrip, waaronder van alles valt: aandacht in de zaakvakken, programma’s voor sociaal-emotionele ontwikkeling, acties voor goede doelen, vieringen, de leerlingenraad, de gelukskoffer… We hebben geprobeerd die hele burgerschapssoep overzichtelijk en inzichtelijk te maken en een schematisch kader te geven.”

Dat burgerschap onlosmakelijk is verbonden met identiteit, is evident. Pipers: “Het zit verweven in de dingen die we doen, het is een onderlegger onder allerlei andere activiteiten.

De manier waarop we vanuit onze katholieke identiteit naar de wereld kijken, heeft invloed op onze visie op burgerschap. Daarbij is zoeken naar verbinding met anderen heel belangrijk. Wat bindt ons? En niet: waarin verschillen wij?”

Kleur bekennen

Ook Erik Harinck, schoolleider op GSR in Rotterdam (voortgezet onderwijs ‘voor en door christenen’), is blij met de opfrisbeurt van de wet. “De minister doet een dringend appel: scholen, maak werk van je vorming. Heel interessant. Alle scholen – openbaar en bijzonder – moeten nu kleur bekennen: hoe bereiden we kinderen voor op een plek in de samenleving?”

Dat dit mogelijk gaat schuren met de vrijheid van onderwijs is de GSR, die voortkomt uit de gereformeerd-vrijgemaakte zuil, zich bewust. Maar daarover maakt Harinck zich niet al te veel zorgen. Hij is blij met ‘een set inhouden’ van de overheid, zolang die maar zo geformuleerd is dat scholen er hun eigen visie op kunnen geven en eigen morele oordeel kunnen vellen. “Wij zullen daar zeker dingen aan toevoegen. De wetgever zal zich nooit expliciet uitlaten over naastenliefde of vergeving. Maar wij vinden wel dat christenburgers over die onderwerpen moeten nadenken.”

Soms te verlegen

Harinck: “Wij zijn een Rotterdamse school. Onze leerlingen komen in de stad een veelkleurigheid tegen die ze thuis niet herkennen. We hebben gefaald in ons onderwijs als ze daar met de mond vol tanden naar staan te kijken.” En dus doet de GSR er alles aan om de leerlingen in contact te brengen met andere culturen, bijvoorbeeld tijdens maatschappelijke stages, buitenlandse reizen, debatten met de islamitische school of de jaarlijkse ‘paarse vrijdag’. Vanuit het idee: “Wees nieuwsgierig naar de ander, ook als die zich niet door jouw waarden laat drijven. Heb altijd respect.”

Die open houding is voor Harinck een van de belangrijkste doelen van burgerschapsonderwijs. “Onze leerlingen hebben genoeg kennis van het democratische bestel, die zit in de genen van onze  christelijke achterban. Maar in het omgaan met andere culturen of geloven zijn ze soms te verlegen. Daarover nadenken en praten is heel belangrijk. Dus zet dat maar in de wet, laat de inspecteur ernaar vragen. Anders wordt het een terzijde die er gauw bij inschiet, omdat we het dit jaar al zo druk hebben gehad.”

 

 

 

 

 

PO | VO | MBO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs