U bent hier

Beëindiging tijdelijk contract na niet behalen onderwijsbevoegdheid: mag dat?

De bestuursrechter heeft op 16 december 2020 een interessante uitspraak gedaan over het beëindigen van een tijdelijk contract na het niet nakomen van studieafspraken. Hoewel het hier de bestuursrechter betrof, kan hier toch lering uit getrokken worden voor de civielrechtelijke arbeidspraktijk.

De werknemer is sinds 1 januari 2017 werkzaam als docent en in tijdelijke dienst bij de werkgever. In eerste instantie is de werknemer in dienst als vervangend docent, maar vanaf het schooljaar 2017/2018 op basis van een tijdelijk aanstelling onbevoegde leraar als bedoeld in artikel 9.b.4 van de CAO VO. Dit omdat de werknemer geen enkele onderwijsbevoegdheid bezat. Partijen zijn toen ook een studieovereenkomst overeengekomen. Bij de verlening van de arbeidsovereenkomst voor het schooljaar 2018/2019 is tussen partijen nadrukkelijk overeengekomen dat de werknemer vóór 1 april 2019 zijn studie moest hebben afgerond. De werkgever heeft de werknemer hier in januari 2019 nog op gewezen.

Toen bleek dat de desbetreffende werknemer op 1 april 2019 zijn bevoegdheid niet gehaald had, heeft de werkgever het contract opgezegd waardoor het contract eindigde per 1 augustus 2019.

Het geschil

De werknemer is het niet eens met de opzegging van zijn contract. Hij voert aan dat hem niet bekend was dat de datum 1 april 2019 een harde deadline zou zijn. In januari 2019 had er nog een gesprek plaatsgevonden tussen de werknemer en zijn leidinggevende en hij had uit dat gesprek opgemaakt dat het voldoende was om vooruitgang in zijn studie te laten zien. De werknemer heeft vooruitgang geboekt en kan dit ook aantonen.

Daarnaast voert de werknemer aan dat tussen het gesprek van januari 2019 en de deadline van 1 april 2019 een zeer korte periode zit waardoor de deadline moeilijk gehaald kon worden. Als laatste geeft de werknemer nog aan dat hij zijn bevoegdheid uiteindelijk vóór 1 augustus 2019 heeft gehaald, dus voor het einde van zijn arbeidsovereenkomst. De werknemer merkt nog op dat hij niet ziet wat het belang van zijn werkgever is om het dienstverband niet te verlengen, zeker nu hij voor het einde van zijn dienstverband bevoegd is geraakt.

De werkgever verweert zich juist door te betwisten dat er in januari 2019 is toegezegd dat de werknemer alleen vooruitgang moest tonen op 1 april 2019 in plaats van dat hij zijn studie volledig afgerond moest hebben. Het blijkt ook niet uit de stukken dat dit zo besproken is.

Dat de werkgever op 1 april 2019 wel wist dat werknemer op 1 augustus 2019 zijn studie zou hebben afgerond, zoals werknemer aangeeft, wordt door de werkgever ook betwist en blijkt ook niet uit de stukken die zijn ingebracht in het geding. Hierbij is van belang dat uit het studieoverzicht uit een e-mailbericht van 11 maart 2019 blijkt dat de werknemer voor verschillende studieonderdelen nog een opdracht moest inleveren of nog een cijfer moest terugkrijgen. Of de werknemer deze onderdelen, en in het verlengde daarvan zijn studie, daadwerkelijk met succes zou hebben afrond, was op het moment van het besluit om het contract niet voort te zetten dan ook nog niet zeker.

Ook voert de werkgever aan waarom de datum van 1 april 2019 zo van belang is. De werkgever geeft aan dat hij jaarlijks op 1 mei het formatieplan voor het volgende schooljaar moet hebben vastgesteld. Hierbij wordt ook gekeken of er nog formatieruimte is om docenten zonder wettelijke lesbevoegdheid een tijdelijk contract aan te bieden. Nu de werknemer op 1 april 2019 zijn onderwijsbevoegdheid niet had behaald en er op dat moment geen zicht was op een datum dat de werknemer deze bevoegdheid wel zou behalen, heeft de werkgever op dat moment besloten om het contract met de werknemer niet voort te zetten. De werkgever had dan nog voldoende tijd om voor het nieuwe schooljaar een vervangende (bevoegde) docent te werven. Daarnaast heeft de werkgever uitbreid het belang van onderwijs door een bevoegde docent toegelicht en daarbij gewezen op de maatschappelijke en politieke druk om kwalitatief goed onderwijs te geven en het actieve toezicht dat de onderwijsinspectie daarop houdt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de werkgever in al zijn argumenten. De werknemer heeft niet kunnen aantonen dat hem door werkgever in januari 2019 is toegezegd dat hij vóór 1 april 2019 alleen maar vooruitgang in zijn studie hoefde te boeken. Wel is duidelijk dat partijen in de studieovereenkomst de datum van 1 april 2019 als deadline hebben opgenomen. Deze datum was dus al lang voor januari 2019 bij de werknemer bekend.

Ook het feit dat de werknemer na afloop van de deadline (en voor het einde van het dienstverband) zijn onderwijsbevoegdheid heeft behaald, maakt niet dat zijn contract had moeten worden voortgezet. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat voor de vaststelling of een bestuursorgaan bevoegd is om tot ontslagverlening over te gaan de situatie ten tijde van het ontslagbesluit bepalend is, dus in casu de situatie op 1 april 2019.

Ook de toelichting van de werkgever waarom de datum van 1 april van belang is en waarom hij op dat moment heeft besloten om het contract niet voort te zetten kan de rechtbank volgen.

De rechtbank komt dus tot het oordeel dat de werkgever het besluit van 1 april 2019 om de overeenkomst met de werknemer niet te verlengen had mogen nemen.

Voor de praktijk

Uit deze casus blijkt weer dat het maken van studieafspraken zeer belangrijk is bij het in dienst nemen van onbevoegde docenten. Ook is het van belang om duidelijke deadlines te stellen, werknemer hier tussentijds op te wijzen en de gevolgen van het niet halen van de deadlines door te voeren (in casu, het niet voortzetten van het arbeidscontract).

PO | VO | MBO | HBO | WO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs