U bent hier

Arie Slob - De man achter de minister

Hoe blikt u terug op uw eigen schooltijd?
“Het was natuurlijk allemaal heel frontaal en klassikaal. Iedereen hetzelfde programma, enorme klassen. De huidige discussie over groepsgrootte werd bepaald nog niet gevoerd, zeg maar. Als leerling zat ik altijd op het randje van mijn stoel. Wat er aan de andere kant van het raam gebeurde, interesseerde me in hoge mate. Het onderwijssysteem van nu, met meer ruimte om zelf bezig te zijn, had mogelijk beter bij me gepast. Dat je op de basisschool ‘tussen de middag’ nog naar huis kon vond ik heerlijk, even weg uit dat gebouw. Toch kijk ik terug op een redelijk onbekommerde tijd. Ik was een beetje een diesel qua school en opleiding: ik kwam wat langzaam op gang maar kreeg al rijdend steeds meer snelheid.”

Welke leraren zijn u bijgebleven?
“Op de basisschool was dat meester Griffioen. Een zeer indrukwekkende man met groot gezag. Ik keek huizenhoog tegen hem op. Als ik weer eens onrustig in de klas was geweest, vertelde hij dat aan mijn vader. En die sprak mij er natuurlijk weer op aan. Dat was minder leuk. Halverwege het schooljaar vertrok hij naar Indonesië om als docent daar te gaan werken. Dat was een enorme schok voor me, ik heb erom gehuild. Het mooie is dat we jaren later collega’s werden, op het Greijdanus College in Zwolle. Hij als leraar godsdienst, ik als leraar maatschappijleer en geschiedenis.”

Zaten er leraren bij die grote invloed hebben gehad op uw leven?
“Op de havo hadden we in de hogere klassen Jack Schaefer voor geschiedenis. Elke les lukte hem het weer om onze aandacht te vangen. Al ging het nog op de ouderwetse manier, hij kon droge onderwerpen zó dichtbij brengen dat we er telkens door werden gegrepen. Ik had wel liefde gehad voor het vak, maar die was in de eerste klassen weggezakt door docenten die me niet inspireerden. Hij wist hier nieuw leven in te blazen. Zijn lessen zijn mede aanzet geweest voor mijn latere keuze voor een studie geschiedenis.”

Wat is volgens u goed geïnspireerd onderwijs?
“Dat begint bij de mensen voor de klas. Een goede docent word je alleen als je écht contact met je leerlingen wil leggen. Sta je er enkel om jouw prachtige vak over te dragen, zonder te snappen wat die leerlingen allemaal bezighoudt, dan sla je de plank mis. Natuurlijk moet je je vak leuk blijven vinden en bijhouden, maar de leerling moet je nadrukkelijk op je netvlies hebben staan. Leerlingen zijn heel scherp: ze hebben meteen door of iets echt is of niet, of de mensen om hen heen echt zijn. Als je als leraar interesse toont in hun wereld, waarderen ze dat enorm, ze voelen dat je enigszins ‘like them’ bent. Dan hoor je tot het slag leraren dat hen bij zal blijven. Eigenlijk moet je gewoon van die leerlingen houden. Dat klinkt misschien wat zwaar, maar dat is volgens mij wel de essentie van dit beroep. Daarnaast houdt goed onderwijs een school in die wordt gedragen door iedereen die erin actief is: schoolleiders, docenten, onderwijsassistenten, conciërges, als waardencollectief zijn ze allemaal belangrijk voor de ontwikkeling van een leerling. Bovendien: een klaslokaal moet geen eigen koninkrijk zijn. Zet die deur open voor elkaar, doe aan collegiale visitatie, geef elkaar feedback. Uit alles blijkt dat dit de kwaliteit binnen een school flink versterkt.”

U was jarenlang leraar maatschappijleer en geschiedenis. Wat was uw invulling van goed onderwijs?
“Ik werkte als docent geschiedenis en maatschappijleer onder meer op het Zwolse Greijdanus College. Met maar één uur maatschappijleer in de week per klas, zie je heel veel leerlingen. Toch wilde ik per se van elke leerling de naam weten: ik verzon van alles om die namen te onthouden, tot aan video-opnames aan toe waarin elke leerling zijn of haar naam zei. Ik wilde niet na drie maanden nog moeten zeggen ‘jij daar met die gestreepte bloes’. Elk kind is uniek en mag gekend worden, en dat begint bij de naam. Als je een leerling niet als individu kent, hoe kun je dan bijdragen aan zijn of haar ontwikkeling? Dan gooi je als het ware wat voer in de ruif en hoop je maar dat ze verder groeien. Ook was ik heel creatief in het verzinnen van allerlei werkvormen en activiteiten om de interesse te wekken van leerlingen. Het was geen examenvak hè, dat maakte het gemiddelde animo ervoor automatisch een stuk lager. Ik ging met ze naar de rechtbank, haalde ex-verslaafden en oud-criminelen naar school die hun verhaal vertelden, nam thuis allerlei documentaires op en gebruikte die als lesmateriaal. Zo probeerde ik mijn vak zo levend mogelijk te maken. Van die ervaring als docent profiteer ik nog steeds als politicus: heel goed voor de balans tussen theorie en praktijk.”

U had als eerste in het land de functie van ‘identiteitscoördinator’ op een middelbare school. Wat hield deze in?

“Onze school wilde serieus bezig zijn met identiteit en ik kreeg een aantal uren om de identiteit van de school meer in de haarvaten te laten doordringen. Nu is ‘identiteit’ best ongrijpbaar als begrip. Het beeld dat ik vaak gebruik: er staat een bordje bij de school waarop staat wat voor school het is. Christelijk, Jenaplan, Dalton, noem maar op. Mooi, maar het gaat erom wat er uiteindelijk in die school gebeurt op basis van die identiteit. Hoe verhoudt zich dat bordje tot de praktijk: de manier waarop je met de leerlingen omgaat, hoe je de lesstof aanbiedt, hoe je de dag begint met elkaar? Tot onze eigen verbazing haalden we de pers toen we een ‘antivloek-dag’ organiseerden, over taalgebruik op school. Daar kwamen allerlei media op af: ‘Wordt hier gevloekt dan?’ Ons antwoord: hier gebeurt alles wat op andere scholen ook gebeurt. We vinden het gewoon belangrijk om met leerlingen hierover in gesprek te gaan.” Lachend: “Overigens zijn de conciërges die dag het meest beproefd om niet te gaan vloeken. Bij het materiaal zaten veel stickers en die plakten de leerlingen echt overal op.”

Waren alle docenten gemotiveerd om zo bezig te zijn met identiteit?
“Nee, een aantal vond het hele vraagstuk rond identiteit nogal overdreven. Ik heb me het meest geërgerd aan een docent die zei dat hij hiervoor niet het onderwijs was ingegaan. Hij gaf gewoon wiskunde, ‘en christelijke wiskunde bestaat niet’. Maar het gaat natuurlijk niet in alles om de vakinhoud, maar ook om de houding die je aanneemt naar je leerlingen. Er was ook een docent die bij elke toets zei: ‘Doe maar rustig aan hoor, jullie krijgen het toch niet af.’ Dat is niet echt inspirerend om te horen. Gelukkig werden deze slechte voorbeelden ruimschoots overklast door docenten die zich bewust waren van de kracht van een sterke schoolidentiteit en vol voor hun leerlingen wilden gaan. En ik zie ze nog steeds in de meerderheid bij werkbezoeken op scholen.”

Paspoort

Geboren: 16 november 1961, in Nieuwerkerk aan den IJssel, met tweelingzus, in een gezin met uiteindelijk tien kinderen

Schoolcarrière: havo - lerarenopleiding maatschappijleer en geschiedenis - universitaire studie geschiedenis

Werkcarrière: docent, identiteitscoördinator, schoolbegeleidingsdienst, gemeenteraadslid Zwolle, Kamerlid ChristenUnie, fractieleider ChristenUnie, directeur van onderwijsorganisatie LVGS en onderwijsadministratiekantoor Concent, directeur Historisch Centrum Overijssel en Stichting IJsselacademie, minister van Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media

Privé: getrouwd, 4 kinderen, 1 kleinkind

Klein detail: begon na zijn Kamerlidmaatschap thuis met taarten bakken. De resultaten hiervan worden enkel in huiselijke kring geproefd en van commentaar voorzien.

Opmerkelijk: smokkelde als student met een paar vrienden bijbels naar communistisch Roemenië. Bij aankomst bleek een aantal ingenieus verstopte bijbels zó muurvast in de auto te zitten, dat er niets anders op zat om ze ook weer het land uit te smokkelen. “We zijn vast het enige groepje dat ooit bijbels in én uit Roemenië heeft gesmokkeld.”

Toch klinkt er vaak uit het werkveld: ik wil best de 28 verschillende kinderen in mijn klas aandacht geven, maar het is een bovenmenselijke inspanning met de huidige werkdruk en al die verschillende problematieken.
“Dat was vroeger niet anders. Nu is er wel meer bekend over soorten problematiek, er bestaan meer begrippen en termen om zaken te duiden. Het klopt wel dat de achtergrond van kinderen complexer is geworden, er zijn veel ingewikkelde gezinssituaties. Je moet ook niet het onmogelijke vragen van docenten. Wel dat ze het individu als uitgangspunt nemen, maar daar zit natuurlijk ook weer een grens aan. Ik heb zelf leerlingen gehad met zulke grote problemen dat ze boven mijn pet gingen. Daar moet je als docent niet aan beginnen, dat is een zaak voor professionals. Je kunt zelfs schade aanrichten als je als amateurpsycholoog aan de gang gaat. Op het juiste moment moet je dus ook weer los durven laten. Maar je hoeft het kind niet de rug toe te keren. Af en toe extra aandacht blijven geven ervaren ze óók als steun.”

Hoe ervaart u het om gelovig te zijn in deze geseculariseerde samenleving?
Lichte zucht. “Weet je dat ik van die vraag altijd een beetje jeuk krijg? Alsof je het als christen heel zwaar zou hebben in deze tijd, van ‘och och, hoe moet je jezelf toch staande houden’... Dat soort tobberigheid vind ik echt onzin. Je moet gewoon doen waarvoor je staat, ook voor jou is er een plek in deze maatschappij, net als voor anderen. Ik ben oprecht blij met de diversiteit van ons  onderwijsbestel. Dat we in Nederland zo’n breed palet aan scholen hebben is bijzonder, ook internationaal gezien. Ouders hebben hier echt wat te kiezen: ze kunnen een school selecteren die goed aansluit op hun visie van opvoeding van hun kind. Christelijke scholen kiezen voor Bijbelverhalen als basis voor geestelijke vorming. Maar er zijn tal van andere inspiratiebronnen voor mensen die ook geïnspireerd, maar niet-religieus, door het leven willen gaan. Zij hebben bijvoorbeeld een duidelijke pedagogische visie op de omgang met en begeleiding van kinderen. Wat de schoolidentiteit verder ook is, echte kwaliteit wordt gevormd door docenten die met hart voor het vak hebben gekozen en zich willen inzetten voor school en de geestelijke vorming van hun leerlingen.”

De school dus als mede-opvoeder?
“Jazeker. In mijn studietijd hoorde ik een definitie van opvoeding van Lea Dasberg: het begeleiden van kinderen naar hun volwassenheid. Die is me bijgebleven. Je moet, als ouder en als leraar, niet voor het kind staan, maar ernaast of erachter. Het moet de ruimte hebben om naar het licht te kunnen groeien. Daar moet niet de schaduw overheen hangen van iemand die bepaalt wat wel of niet goed is. Natuurlijk, grenzen zijn nodig, maar het kind moet vooral ruimte krijgen om zelf zoveel mogelijk te ontdekken. Als een jong kind zo mag opgroeien, is dat fantastisch.”

tekst Beyke Goris | foto's Joost van Baars

 

 

PO | VO | MBO | HBO | WO

Aanmelden voor de Verus nieuwsbrief

Iedere week het laatste nieuws uit het onderwijs